Hoger beroep kort geding van Gerechtshof Den Haag, May 14, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/05/14
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
SAMENVATTING

Staatsaansprakelijkheid afgewezen; wel onrechtmatige aanwijzing Kwaliteitswet zorginstellingen maar geen causaal verband met schade,

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.109.455/01

Zaak/rolnummer Rb : 418261/KG ZA 12-449

arrest van 14 mei 2013

inzake

[Appellant],

voorheen h.o.d.n. […],

wonende te […], gemeente […],

appellant,

hierna te noemen: [appellant], respectievelijk [de woongroep],

advocaat: mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J.A.E. van der Jagt-Jobsen te 's-Gravenhage.

Verloop van het geding

Bij exploot van 26 juni 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 29 mei 2012. Daarbij heeft [appellant], onder overlegging van één productie, zes grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord, met producties, zijn bestreden.

Op 14 maart 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door zijn voormelde advocaat en de Staat door zijn voormelde advocaat, alsmede mr. T. Novakovski, advocaat te 's-Gravenhage, allen aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Door de Staat zijn voorafgaand aan het pleidooi aanvullende stukken ingediend, die in het van de pleitzitting opgemaakte proces-verbaal zijn gespecificeerd.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep

  1. De door de voorzieningenrechter in rov. 1.1 tot en met 1.15 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn als zodanig niet weersproken, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Wel betoogt [appellant] in zijn eerste grief dat de voorzieningenrechter in rov. 1.2 tevens had moeten vaststellen dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) al eerder dan in maart 2011 heeft gehandeld naar aanleiding van de brief van de familie van [A], namelijk door [de woongroep] een vragenlijst toe te zenden, welke op 21 september 2010 door [de woongroep] is beantwoord. Het hof zal dat feit, dat door de Staat niet wordt bestreden, mede in aanmerking nemen (voor zover van belang).

  2. In het kort gaat het in deze zaak om het volgende.

    [de woongroep] is een in 2009 gestarte woongroep voor maximaal vijf jong volwassenen, die begeleiding behoeven op het gebied van wonen en dag- en vrijetijdsbesteding. Die begeleiding en die zorg kopen zij in via een persoonsgebonden budget (PGB). IGZ, die meende dat [de woongroep] onder de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwzi) viel, heeft [de woongroep] een aanwijzing ex art. 8 van die wet opgelegd en die aanwijzing gepubliceerd op haar website. De aanwijzing had onder meer betrekking op het hanteren van een zorgdossier, deskundigheid van personeel en medicatiebeleid. Daarnaast is een aanwijzing gegeven op grond van art. 3 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (WKCZ), inhoudend dat een klachtencommissie moest worden ingesteld. Na bezwaar van [de woongroep] heeft de Staatssecretaris de aanwijzing op grond van art. 8 Kwzi ingetrokken. Het bezwaar tegen de aanwijzing ex art. 3 WKCZ is ongegrond verklaard. Het beroep daartegen is verworpen; hoger beroep loopt nog.

  3. In dit kort geding vordert [appellant] de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 350.000,- als voorschot op door de Staat verschuldigde schadevergoeding. [appellant] legt daaraan ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het feitelijk handelen van IGZ, te weten het zonder wettelijke grondslag handhavend optreden jegens [de woongroep], (handhaving van) publicatie van berichtgeving dienaangaande op de website van IGZ en het benaderen van (ouders van) cliënten van [de woongroep] en het aan hen verstrekken van negatieve adviezen. [appellant] stelt dat cliënten daardoor zijn vertrokken en dat nieuwe cliënten zijn weggebleven, waardoor [de woongroep] inkomsten ontbeert. Daardoor kan [appellant] de hypothecaire lasten, verbonden aan het pand waarin de woonvoorziening is gehuisvest, niet voldoen, heeft hij moeite om in zijn levensonderhoud te...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT