Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verlaging bijstand met 50% voor de duur van veertien maanden. Appellanten hebben een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond door het bedrag van € 39.000,-- niet voor de eigen kosten van levensonderhoud aan te wenden.

 
GRATIS UITTREKSEL

11/5355 WWB, 11/5356 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van

11 augustus 2011, 11/639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.J.M. Jaasma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Jaasma. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellanten waren tot 1 mei 2010 woonachtig in de gemeente Purmerend en ontvingen daar vanaf 1989 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Per 1 mei 2010 zijn zij verhuisd naar de gemeente Hoorn en is hen door het college aansluitend bijstand verleend naar dezelfde norm. Na het toekenningsbesluit van 11 juni 2010 is uit nader onderzoek gebleken dat appellanten op 21 april 2010 de voordien door hen bewoonde woonwagen voor een bedrag van € 39.000,-- aan de gemeente Purmerend hebben verkocht en dat dit bedrag is overgemaakt op de bankrekening van [naam van kleinzoon], de zoon van hun dochter. Het college heeft hierin aanleiding gevonden bij besluit van 8 februari 2011 de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2011 te verlagen met 50% voor de duur van veertien maanden. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan hebben betoond door het bedrag van € 39.000,-- niet voor de eigen kosten van levensonderhoud aan te wenden. Bij besluit van 17 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij € 39.000,-- aan hun dochter hebben laten overmaken ter voldoening van een bestaande schuld.

  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde maatregel in overeenstemming is met het bepaalde in de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Hoorn.

  3. In hoger beroep hebben...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT