Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 19 juni 2013

Datum uitspraak:19 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Appellante wordt geschikt geacht voor haar eigen werk. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts van 18 augustus 2010 dient rekening te worden gehouden met het feit dat appellante haar rug nog niet zwaar dient te belasten, met name niet zwaar tillen en niet frequent voorover buigen. Daarbij geniet de aanwezigheid van vertredingsmogelijkheden de voorkeur. Indien hiermee rekening wordt... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/6160 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

13 september 2011, 10/3314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser van 5 december 2011 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Als tolk was aanwezig E. Battaloglu.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk gedurende 40 uur per week via een uitzendbureau werkzaam als champignonplukster. Op 30 januari 2009 is zij uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval op 29 januari 2009, waarbij zij twee ruggenwervels heeft gebroken. Het dienstverband met de werkgever is met ingang van 1 januari 2010 beëindigd.

1.2. Appellante is laatstelijk op 18 augustus 2010 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts N.M.M. Kummeling. Deze arts heeft appellante onderzocht en geconcludeerd dat rekening dient te worden gehouden met het feit dat appellante haar rug niet zwaar dient te belasten, maar dat er geen medische argumenten zijn om de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) nog langer te continueren. Op basis van deze conclusie van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 18 augustus 2010 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 19 augustus 2010 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 augustus 2010, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 30 september 2010, ongegrond verklaard.

  1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 augustus 2011 en de toelichting daarop ter zitting is het door appellante in beroep overgelegde expertiserapport van de orthopeed prof. dr. J.D. Visser van 14 maart 2011 volgens de rechtbank voldoende...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT