Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 19 juni 2013

Datum uitspraak:19 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Het Uwv heeft de UGM-uitkering (Uitkeringswet gewezen militairen) terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering van betrokkene. Onbetwist is dat de hoogte van de UGM-uitkering hoger is dan het voor betrokkene vastgestelde recht op WW-uitkering, zodat terecht is bepaald dat de WW-uitkering niet aan betrokkene wordt uitbetaald.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/5059 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 september 2012, 12/496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.P. Arts een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 mei 2013, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene, geboren [in] 1952, is per 7 augustus 2007 functioneel leeftijdsontslag verleend als beroepsmilitair. Met ingang van 7 augustus 2007 is hem een uitkering toegekend op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM).

1.2. Betrokkene heeft na het functioneel leeftijdsontslag in dienstbetrekking gewerkt, laatstelijk van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 als klachtbehandelaar bij Maatschappelijke Dienstverlening Veluwe. Betrokkene heeft aansluitend een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd bij appellant.

1.3. Bij besluit van 7 februari 2012 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van 2 januari 2012 recht heeft op een WW-uitkering. Op die uitkering heeft appellant de UGM-uitkering in mindering gebracht, waardoor de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Bij besluit van 22 maart 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 februari 2012 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de UGM-uitkering van betrokkene een met een ouderdomspensioen gelijk te stellen uitkering is, die op grond van artikel 34 van de WW in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering.

  1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat de UGM-uitkering niet kan worden aangemerkt als een uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW noch aan artikel 1, eerste lid, van het Besluit Regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen (Stcrt. 1991, 244, hierna: Besluit), zodat appellant de UGM-uitkering niet op betrokkenes WW-uitkering in...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT