Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 19 juni 2013

Datum uitspraak:19 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit en heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is. De bva zag in de verkregen informatie van de behandelend... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/1091 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011, 10/2944 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Namens appellant is

mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.M. Huijzer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker. Met ingang van

18 december 2006 is hij uitgevallen voor zijn werk ten gevolge van rugklachten met uitstraling naar het linkerbeen.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 21 januari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

8 juli 2010 (bestreden besluit), vastgesteld dat appellant met ingang van 14 december 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

  1. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingesteld beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

    2.1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft zowel in bezwaar als in beroep de gronden uitgebreid gemotiveerd weersproken en heeft geconstateerd dat er niet meer beperkingen zijn dan is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ook de door appellant overgelegde (medische) informatie biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel.

    2.2. Het beroep van appellant op de indicaties voor WSW-werk en begeleid werken (met hulp van een jobcoach) slaagt niet, reeds omdat niet is gebleken dat deze indicaties zien op de datum in geding, 14 december 2009.

    2.3. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van de Raad van 28 december 2001, LJN AD9645, en 14 oktober 2003, LJN AN8064, kan de rechtbank niet de betekenis hechten aan de door Instituut Psychosofia over appellant uitgebrachte rapporten, die...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT