Cassatie van Hoge Raad, 21 juni 2013

Datum uitspraak:21 juni 2013
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Douanerecht. (On)rechtmatige overheidsdaad. Kwijtschelding douaneschuld wegens buitengewone omstandigheden; art. 13 Verordening (EEG) 1430/79. Beoordeling onrechtmatigheid van eerder door de Staat opgelegde “uitnodiging tot betaling” en daarmee verband houdende maatregelen, waaronder conservatoire beslaglegging. Maatstaf. Schending égalitébeginsel?

 
GRATIS UITTREKSEL

21 juni 2013

Eerste Kamer

12/01330

TT/DH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mr. Carl Felix Wim Antonius HAMM, kantoorhoudende te Rotterdam, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van,

[A] Beheer B.V.,

[A] Vastgoed B.V.,

[A] Materieel B.V.,

[A] International B.V.,

[A] International Expeditie B.V.,

[A] Verhuizingen B.V.,

[A] Opslag en Distributie B.V.,

EISER tot cassatie,

advocaten: aanvankelijk mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, thans mr. J.F. de Groot en mr. A.E.H. van der Voort

Maarschalk,

t e g e n

  1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën en de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane district te Rotterdam),

    zetelende te Den Haag,

  2. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/DOUANE ROTTERDAM,

    kantoorhoudende te Rotterdam,

    VERWEERDERS in cassatie,

    advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. C.M. Bergman.

    Eiser zal hierna ook worden aangeduid als de curator. Verweerders worden hierna gezamenlijk aangeduid als de Staat c.s. en afzonderlijk als de Staat en de Ontvanger.

  3. Het geding in feitelijke instanties

    Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

    1. het vonnis in de zaak 169265/HA ZA 02-38 van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2007;

    2. het arrest in de zaak 105.006.836/01 van het gerechtshof te ´s-Gravenhage van 22 november 2011.

    Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

  4. Het geding in cassatie

    Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    De Staat c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    De zaak is voor de curator toegelicht door zijn advocaten en mr. R.R. Verkerk, advocaat te Rotterdam. Voor de Staat c.s. is de zaak toegelicht door hun advocaten.

    De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

    De advocaat van de curator heeft bij brief van 28 februari 2013 op die conclusie gereageerd.

  5. Beoordeling van het middel

    3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    (i) [A] Beheer B.V. (hierna: [A] Beheer) is houdstermaatschappij van de overige zes in deze procedure aan de zijde van de curator betrokken vennootschappen (hierna gezamenlijk met [A] Beheer ook: [A] c.s.).

    (ii) [A] Beheer heeft tussen 29 juli en 8 september 1993 als douane-expediteur ter zake van het vervoer van sigaretten die nog niet in het vrije verkeer waren gebracht, zogenoemde T1-documenten afgegeven.

    De vervoerde sigaretten en de bijbehorende documenten hadden moeten worden aangeboden aan de douane van het kantoor van bestemming. De sigaretten zijn echter illegaal in het verkeer gebracht (hierna: de fraude).

    Een Belgische douane-ambtenaar heeft in strijd met de waarheid op aangeboden documenten verklaard dat de goederen hun bestemming hadden bereikt. Een werknemer van [A] Beheer was ook betrokken bij de fraude.

    De Staat was op de hoogte van de voorbereidingen tot de fraude en heeft in het belang van de opsporing zeven frauduleuze transporten niet verhinderd.

    (iii) Op 13 juli 1994 heeft de inspecteur (op grond van het toenmalige art. 129 Wet inzake de douane (Stb. 1992, 54)) aan [A] Beheer een "uitnodiging tot betaling" (hierna: UTB) gezonden tot een totaalbedrag van ƒ 16.477.275,10. De UTB had betrekking op invoerrechten, omzetbelasting en accijns wegens het in het verkeer brengen van de onder (ii) bedoelde sigaretten.

    (iv) Bij brief van 26 augustus 1994 heeft de Ontvanger ten aanzien van de UTB aan [A] Beheer desgevraagd uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat, behoudens door de Ontvanger te verlenen toestemming, gedurende het uitstel de vermogensbestanddelen van het bedrijf niet zouden worden vervreemd of verder bezwaard met enig zakelijk recht.

    (v) [A] Beheer heeft bezwaar gemaakt tegen de UTB. De inspecteur heeft bij beslissing van 5 september 1995 het bezwaar tot een bedrag van ƒ 1.145.365,30 gegrond verklaard en voor het overige afgewezen. [A] Beheer heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het gerechtshof te ´s-Gravenhage voor zover het de omzetbelasting en accijns betreft en bij de Tariefcommissie voor zover het de invoerrechten betreft.

    (vi) Bij brief van 31 mei 1995 heeft [A] Beheer onder verwijzing naar onder meer art. 239 Communautair Douanewetboek de Ontvanger verzocht om kwijtschelding van het bedrag aan belastingen vermeld in de UTB.

    (vii) Op 30 december 1994 heeft [A] Beheer zonder toestemming van de Ontvanger onroerende zaken overgedragen aan [A] Vastgoed B.V. In oktober 1995 heeft de Ontvanger aan [A] Beheer toestemming gegeven voor de verkoop van een onroerende zaak. Begin 1996 heeft de Ontvanger [A] Beheer toestemming gegeven een hypothecaire lening te verhogen.

    (viii) Bij brief van 28 februari 1996 heeft de Staatssecretaris van Financiën aan [betrokkene 1] meegedeeld dat hangende procedures geen maatregelen zullen worden getroffen die het voortbestaan van de bij de fraude betrokken bedrijven in gevaar zouden brengen.

    (ix) Op 21 november 1996 heeft de Ontvanger aan [A] Beheer meegedeeld geen toestemming te verlenen voor de voorgenomen verkoop van een bedrijfsterrein van 7000 m2 en heeft hij ten laste van [A] Beheer en [A] Vastgoed B.V. conservatoir beslag doen leggen op onroerende zaken.

    (x) Op 30 december 1996 is aan [A] Beheer voorlopige surséance van betaling verleend.

    Op 6 januari 1997 is [A] Beheer in staat van faillissement verklaard. Nadien zijn haar werkmaatschappijen failliet verklaard.

    (xi) In verband met het hiervoor onder (vi) bedoelde verzoek tot kwijtschelding heeft de Staat op 13 augustus 1997 aan de Europese Commissie verzocht te beslissen of het gerechtvaardigd is kwijtschelding van de verschuldigde invoerrechten toe te staan. Bij beschikking van 18 februari 1998 heeft de Commissie beslist dat kwijtschelding niet gerechtvaardigd was.

    (xii) De Tariefcommissie heeft in het hiervoor onder (v) bedoelde beroep tegen de invoerrechten bij uitspraak van 24 februari 1998 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Bij arrest van 7 september 1999 heeft het HvJEU geantwoord dat

    (a) op de douaneautoriteiten die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude in het kader van de regeling extern communautair douanevervoer geen enkele verplichting rust de aangever te waarschuwen dat hij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden, ook wanneer hij te goeder trouw zou hebben gehandeld, maar (b) dat het niet waarschuwen van de belastingplichtige die te goeder trouw is een bijzondere situatie kan opleveren in de zin van art. 13 lid 1 van de Verordening (EEG) nr. 1430/79, namelijk wanneer de nationale autoriteiten in het belang van het onderzoek weloverwogen hebben toegelaten dat overtredingen werden begaan waardoor voor de aangever een douaneschuld is ontstaan en laatstgenoemde in een uitzonderlijke situatie wordt gebracht ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. Het HvJEU heeft de beschikking van 18 februari 1998 van de Commissie ongeldig verklaard.

    (xiii) De Commissie heeft bij beschikking van 22 maart 2000 bepaald dat kwijtschelding van de invoerrechten gerechtvaardigd was omdat [A] Beheer door de autoriteiten niet was gewaarschuwd voor de fraude en een (Belgische) douaneambtenaar bij de fraude was betrokken.

    (xiv) Bij beslissing van 17 mei 2000 heeft de inspecteur [A] Beheer onder verwijzing naar de beschikking van de Commissie van 22 maart 2000 het restant van de UTB kwijtgescholden, een bedrag van ƒ 15.331.909,80 aan invoerrechten, omzetbelasting en accijns.

    (xv) [A] Beheer heeft het hiervoor onder (v) bedoelde beroep bij het hof en de Tariefcommissie ingetrokken.

    3.2 In deze procedure vordert de curator een verklaring voor recht dat de Staat en de Ontvanger onrechtmatig jegens [A] c.s. hebben gehandeld en vergoeding van alle daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat. De curator legt aan de vorderingen ten grondslag, kort gezegd, dat de Staat met de oplegging van de UTB onrechtmatig jegens [A] c.s. heeft gehandeld en daarom schadeplichtig is, althans dat de Staat de schade dient te vergoeden die het gevolg is van zijn rechtmatige overheidsdaad, en dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door invorderingsmaatregelen te treffen.

    De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

    3.3.1 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe onder meer het volgende overwogen.

    3.3.2 De inspecteur was op grond van het gemeenschapsrecht verplicht de UTB met betrekking tot de invoerrechten op te leggen en niet bevoegd de daaraan ten grondslag liggende douaneschuld kwijt te schelden voordat hij de goedkeuring van de Commissie had verkregen (rov. 3.2-3.4). De omstandigheid dat die douaneschuld later is kwijtgescholden, betekent niet dat het opleggen van de UTB onrechtmatig moet worden geacht. Volgens het arrest van het HvJEU en de beschikking van de Commissie van 22 maart 2000 was kwijtschelding gerechtvaardigd op grond van art. 13 van de Verordening (EEG) 1430/79.

    Het hof gaat ervan uit dat de inspecteur daarbij heeft willen aansluiten en kwijtschelding heeft verleend op grond van art. 13 van die verordening. Uit het arrest van het HvJEU van 7 september 1999 en de beschikking van de Commissie van 22 maart 2000 volgt niet dat de UTB met betrekking tot de invoerrechten niet had mogen worden opgelegd, noch dat de inspecteur anders had moeten of kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Tegen deze achtergrond kan het opleggen van de UTB dan wel het niet eerder kwijtschelden van de onderliggende douaneschuld niet als onrechtmatige daad jegens [A] Beheer worden gekwalificeerd. (rov. 3.5-3.6) De kwijtschelding van de in de UTB begrepen omzetbelasting en accijns kan niet worden aangemerkt als of gelijk gesteld aan een herroeping of intrekking van de UTB. (rov. 3.8)

    3.3.3 Grief XIII, die inhoudt dat het opleggen van voorwaarden voor het verlenen van uitstel van betaling en het leggen van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT