Herziening van Gerechtshof 's-Gravenhage, 28 november 2008

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:28 november 2008
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Verzoek om herziening. Hoewel voor de indiening van een verzoek om herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak in een belastingzaak geen wettelijke termijn is gesteld, mag van de partij die zodanig verzoek doet worden gevergd dat daarmee niet langer wordt gewacht dan redelijkerwijs nodig is om - nadat hij met het feit dat hem daartoe aanleiding geeft bekend is geworden - dit feit op zijn ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00059

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 28 november 2008

op het verzoek van mevrouw X te Z om herziening van de uitspraak van 13 september 2001 van dit Gerechtshof, kenmerk BK-99/00735, betreffende na te noemen beschikking.

Procedure tot het verzoek om herziening

1.1 Belanghebbende heeft door middel van een T-biljet aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993. Deze aangifte strekte tot een teruggave van ƒ 531 (€ 241) aan voorheffingen. Het aangiftebiljet is op 18 december 1998 ingekomen bij de Inspecteur, destijds het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Dordrecht (thans: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond).

1.2 Bij beschikking van 5 januari 1999 heeft de Inspecteur besloten voor het jaar 1993 aan belanghebbende geen aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen vast te stellen en de verrekening van voorheffingen achterwege te laten nu niet binnen drie jaren na afloop van het belastingjaar aangifte is gedaan. Bij uitspraak, gedagtekend 5 februari 1999, heeft de Inspecteur het tegen die beschikking gemaakte bezwaar afgewezen.

1.3 Belanghebbende is van die uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 85 (€ 39). Het beroep is geregistreerd onder het in de aanhef vermelde kenmerk. Het Hof heeft het beroep bij de in de aanhef vermelde uitspraak ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft vervolgens met betrekking tot die uitspraak van het Hof beroep in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden ingesteld. Bij faxbericht van 3 januari 2002 heeft belanghebbende het cassatieberoep ingetrokken.

Loop van het geding

2.1 Bij brief van 9 januari 2008, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 januari 2008, heeft belanghebbende het Hof verzocht zijn uitspraak van 13 september 2001 te herzien en te bepalen dat de in 1.1 vermelde teruggave haar alsnog wordt verleend, verhoogd met rente. Tevens wordt verzocht om vergoeding van het griffierecht en van proceskosten in de beroepsprocedure.

2.2 In verband met het verzoek is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 17 oktober 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak waarop het verzoek om herziening betrekking heeft

  1. In de uitspraak waarvan de herziening is verzocht, heeft het Hof onder meer het volgende overwogen.

    4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

    4.1. In geschil is of de Inspecteur terecht geen aanslag heeft opgelegd, hetgeen belanghebbende bestrijdt en de Inspecteur staande houdt.

    4.2. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1998, nr. 32 616, de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB91/72, is komen te vervallen. Subsidiair stelt belanghebbende dat handhaving van de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB91/72 leidt tot verboden discriminatie en schending van artikel 26 IVBPR. Meer subsidiair stelt zij dat toepassing van de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB91/72, tot gevolg heeft dat sprake is van verboden discriminatie ten opzichte van gevallen waarin de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB89/735, wordt toegepast. Ten slotte betoogt belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar geen blijk geeft van een juiste behandeling van haar bezwaren.

    4.3. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

    (...)

    6. Overwegingen omtrent het geschil

    6.1. Ingevolge artikel 64, lid 2, onderdeel h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), in samenhang met artikel 20 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 komt de belastingplichtige in aanmerking voor een aanslag indien hij binnen drie jaar na het einde van het belastingjaar aangifte doet. Die termijn is in het onderhavige geval met 31 december 1996 verstreken. Nu belanghebbende eerst in 1998 aangifte heeft gedaan heeft zij de voor het verkrijgen van een aanslag vereiste termijn niet benut.

    6.2. Bij resolutie van 25 maart 1991, nr. DB91/72, BNB 1991/143, is de evenvermelde driejaarstermijn verlengd tot vijf jaar, mits het bedrag aan terug te geven voorheffingen meer bedraagt dan ƒ 1.000,--. Nu het bedrag aan terug te geven voorheffingen ƒ 531,-- bedraagt, voldoet belanghebbende evenmin aan de voorwaarden van de genoemde resolutie.

    6.3. Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1998, nr. 32 616, faalt. In dat arrest is - zakelijk weergegeven - beslist dat de daar toepasselijke driejaarstermijn, die beoogt belastingplichtigen te beschermen, niet ten nadele van die belastingplichtigen kan werken. De bij resolutie van 25 maart 1991 gestelde termijn beoogt echter niet de belastingplichtigen te beschermen doch vormt een van de voorwaarden waaronder - op verzoek -, in afwijking van artikel 64, lid 1, van de Wet, wel een aanslag wordt opgelegd.

    6.4. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 23 november 1994, nr. 29 214, BNB 1995/24, komt aan de in de resolutie van 1 juni 1988, nr. DB87/6154, BNB 1988/200, neergelegde regeling in een geval als het onderhavige geen betekenis toe. Zulks heeft evenzeer te gelden voor de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142, nu deze resolutie in de plaats is gekomen van de resolutie van 1 juni 1988 en op dit punt materieel daarvan niet afwijkt. Belanghebbendes stelling dat de hiervoor genoemde teruggaafgrens op grond van laatstgenoemde resolutie dient te worden verminderd tot op ƒ 250,--, moet dan ook worden verworpen.

    6.5. Voorts heeft de staatssecretaris van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT