Cassatie van Hoge Raad, March 03, 2009

Datum uitspraak:2009/03/03
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Poging diefstal met braak. Begin van uitvoering. Gelet op de vaststellingen van het Hof geeft het oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

 
GRATIS UITTREKSEL

3 maart 2009

Strafkamer

nr. 07/10244

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 december 2006, nummer 21/002624-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].

  1. Geding in cassatie

    1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de

    Advocaat-Generaal.

  2. Beoordeling van het tweede middel

    2.1. Het middel is onder meer gericht tegen het oordeel van het Hof dat er wat betreft feit 2 een begin van uitvoering was van diefstal met braak.

    2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

    hij omstreeks 13 maart 2006 te Millingen aan de Rijn, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel ([A], gevestigd aan de [a-straat 1]) weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [A]/[...], en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders met een (personen) auto (op aanwijzing van verdachte of een van verdachtes mededaders) in de richting van de toegangsdeuren van die winkel zijn gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

    2.3. De bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3 samengevat en weergegeven bewijsmiddelen.

    2.4. Het Hof heeft omtrent de bewezenverklaring nog het volgende overwogen:

    De bewezenverklaarde gedraging van verdachte is naar haar uiterlijke verschijningsvorm (...) gericht op de voltooiing van de diefstal.

    2.5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat een auto omstreeks 3.40 uur met gedoofde lichten het parkeerterrein van de supermarkt [A] opreed, dat twee personen uitstapten, dat die personen naar een van de toegangsdeuren van de supermarkt liepen, dat de auto achterwaarts in de richting van die deur reed op aanwijzing van een van die personen, dat de twee personen aan de kant gingen staan toen de auto nog slechts twee of drie meter van de toegangsdeur verwijderd was, dat op dat moment in de woning naast de supermarkt een licht aanging, dat de twee personen schrokken, iets naar de bestuurder riepen en snel instapten, waarna de auto met gedoofde lichten met hoge snelheid wegreed.

    2.6. Gelet op deze vaststellingen geeft het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

    2.7. De klacht faalt.

  3. Beoordeling van de middelen voor het overige

    De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

  4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

    De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

  5. Slotsom

    Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

  6. Beslissing

    De Hoge Raad:

    vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

    vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

    verwerpt het beroep voor het overige.

    Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 maart 2009.

    Nr.07/10244

    Mr. Machielse

    Zitting 6 januari 2009

    Conclusie inzake:

    [Verdachte](1)

  7. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 4 december 2006 voor 1 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking, en 2: poging tot: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

  8. Mr. S.F.W. Van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.P.A. Van Schaik, advocaat te Veenendaal, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

    3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om getuigen op te roepen.

    In de appelmemorie van 30 juni 2006 heeft de advocaat van verdachte, thans ook optredende in cassatie, geschreven dat hij nog niet beschikt over het procesdossier maar dat hij zich aansluit bij het verzoek van een confrère die een van de medeverdachten bijstaat, om zes getuigen op te roepen.

    3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2006 houdt het volgende in:

    De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

    Verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.

    Namens verdachte is bij tijdig ingediende appèlschriftuur verzocht de oproeping van een aantal getuigen, namelijk een drietal politiefunctionarissen en anderen die waarnemingen hebben gedaan die relevant zouden kunnen zijn voor verdachtes activiteiten in de nacht waarop de tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden, en aangevers van die feiten. Ter terechtzitting van het hof is namens verdachte verzocht om tevens [getuige 1] als getuige op te roepen.

    Het hof stelt vast, dat zich in het dossier geen gegevens afkomstig van de aangevers en getuigen bevinden die, gelet op de door de verdediging gegeven toelichting, nadere toetsing behoeven: de getuigen [getuige 2] en haar partner [getuige 1] hebben waarnemingen gedaan die voor de identificatie van de daders redelijkerwijs geen relevantie kunnen hebben en de betrokken politiemensen hebben weergegeven, wat zij die nacht nabij de [A] en in de dorpen Millingen, Leuth, Ooij en Persingen hebben waargenomen.

    Het hof acht van belang dat verdachte vrijwel niets heeft verklaard inzake de activiteiten van hem en de medeverdachten. Ter zitting van de politierechter, waar de rechter had kunnen waarnemen of er een significante gelijkenis bestond tussen de lieden die op 13 maart 2006 te circa 17.27 uur een verdacht bezoek brachten aan de [A], verscheen verdachte niet. Ter terechtzitting van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT