Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Zutphen, 4 maart 2009

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 4 maart 2009
Uitgevende instantie::Rechtbank Zutphen
SAMENVATTING

Nevenvoorzieningen echtscheiding: hoofdverblijf, omgang, alimentatie, afwikkeling huwelijksvoorwaarden

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 99222 FA RK 08-2404

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 4 maart 2009

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa te [plaats],

en

[verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. D. Warnink te Kampen.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 17 december 2008;

- de brief met bijlagen van 9 januari 2009 van mr. Tjabringa;

- de brief met bijlagen van 12 januari 2009 van mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn;

- de brief met bijlagen van 16 januari 2009 van mr. De Munnik-Hoogendoorn;

- het faxbericht met bijlage van 19 januari 2009 van mr. De Munnik-Hoogendoorn;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 19 januari 2009, waaraan gehecht zijn de brief van 27 januari 2009 van mr. De Munnik-Hoogendoorn en de brief met bijlagen van 28 januari 2009 van mr. Tjabringa;

- de brief met bijlagen van 23 januari 2009 van mr. De Munnik-Hoogendoorn;

- de brief van 29 januari 2009 van mr. Tjabringa;

- de brief van 29 januari 2009 van mr. De Munnik-Hoogendoorn.

De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist en volhardt daarin.

In voormelde beschikking is de echtscheiding uitgesproken, een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld en de behandeling ten aanzien van de nevenverzoeken voor het overige aangehouden.

Hoofdverblijfplaats en omgangsregeling

Tussen partijen is niet in discussie dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw dient te worden vastgesteld. Namens de man is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat in zijn optiek de omgangsregeling niet geheel probleemloos verloopt. Hij wenst vastlegging van een aantal belmomenten, nu de vrouw daaraan niet voldoende meewerkt. Ook wenst de man de kinderen medio maart mee naar Duitsland te kunnen nemen, waarvoor de medewerking van de vrouw nodig is, nu de kinderen in het paspoort van de man dienen te worden bijgeschreven. Daarnaast heeft de man erop gewezen dat de communicatie tussen partijen niet via de kinderen dient te verlopen.

Ter zitting heeft de vrouw haar medewerking toegezegd om het voor de kinderen mogelijk te maken met de man naar het buitenland te gaan. Wel vindt zij het van belang dat de man rekening houdt met de reisafstand om te voorkomen dat de kinderen te vermoeid raken. Voor het overige ervaart ook zij dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is. Zij heeft de hoop uitgesproken dat dit zal verbeteren zodra de zakelijke (financiële) geschillen zijn geëindigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat partijen beiden het belang inzien van een goed contact tussen de man en de kinderen, waarvan ook belmomenten deel dienen te kunnen uitmaken. Ook zien zij beiden in dat goede communicatie tussen hen van belang is. Met het oog daarop acht de rechtbank het thans niet nodig concrete belmomenten tussen de man en de kinderen vast te leggen. De verzoeken omtrent hoofdverblijfplaats en omgang zullen worden toegewezen.

Alimentatie

De man is 100 % aandeelhouder van [naam] Group BV. Deze BV houdt 100% van de aandelen in [naam] Dienstverlening en in [naam] Real Estate BV. Voorheen is sprake geweest van andere ondernemingen, die in 2007 zijn afgestoten. [naam] Real Estate heeft in 2007 een overeenkomst gesloten met Hoogeboom Vakantieparken ter aankoop van een hotel, [naam hotel] Hotel in Duitsland, met daarbij veertig nog te ontwikkelen vakantie-woningen. Het doel van de aankoop was dit hotel via een ABC-constructie direct aan een opvolgend koper met winst door te verkopen. Hiertoe heeft de man vanaf augustus 2007 onderhandeld met een Engelse investeerder en vanaf december 2007 met GZG.

In de tussenbeschikking van 17 december 2008 is reeds overwogen dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen waarin onder meer is bepaald dat de man aan de vrouw € 3.500,-- bruto per maand als partneralimentatie zal bepalen en € 250,-- per kind per maand als kinderalimentatie.

De man heeft aangevoerd dat deze overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en zich beroepen op het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 Burgerlijk Wetboek. Er is volgens hem sprake van een wanverhouding tussen hetgeen een rechter op basis van een draagkrachtberekening zou hebben vastgesteld en de bedragen die partijen zijn overeengekomen. Vaststelling van een bijdrage mag er niet toe leiden dat de man feitelijk onvoldoende middelen overhoudt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en er in ieder geval niet toe leiden dat het inkomen van de man beneden 90 % van het bijstandsniveau daalt. Dit laatste zal gebeuren indien de overeengekomen alimentatie wordt opgelegd. Om die reden is er sprake van een evidente wanverhouding tussen de overeengekomen alimentatie en hetgeen de man op basis van de wettelijke maatstaven zou kunnen betalen.

Er heeft nimmer een berekening van de draagkracht van de man plaatsgevonden. De wilsovereenstemming die partijen zouden hebben gehad, was gebaseerd op geld dat er nimmer is geweest. De overeengekomen bedragen zijn gebaseerd op de verwachting van de man dat hij een netto maandinkomen van € 4.400,-- kon krijgen, in welk geval hij zich in staat achtte de genoemde bedragen te voldoen. Dit netto maandinkomen kan hij feitelijk niet realiseren, nu de verkoop van [naam hotel] Hotel, dat zijn onderneming had gekocht met het doel het direct door te verkopen, is mislukt.

De vrouw is van mening dat er geen reden is af te wijken van de afspraak tussen partijen. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden. Betwist wordt dat de man geen inkomsten heeft en de overgelegde stukken geven onvoldoende inzicht in de situatie.

In de brief van 28 januari 2009 is namens de vrouw alsnog ingegaan op de stelling dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Namens de man is daartegen bezwaar gemaakt, nu hiertoe niet de gelegenheid is geboden.

Hoewel de man nagegeven moet worden dat de vrouw niet uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld op de gestelde miskenning van de wettelijke maatstaven nader in te gaan, acht de rechtbank het feit dat zij dit toch gedaan heeft in de onderhavige situatie niet in strijd met de goede procesorde. Daarbij is van belang dat de vrouw er tot de behandeling op 19 januari 2009 niet op bedacht behoefde te zijn dat de man deze stelling zou innemen. Hij had zich immers in eerste instantie op het standpunt gesteld dat er geen overeenstemming tussen partijen was. In de tussenbeschikking van 17 december 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat er wel sprake van overeenstemming was en de man in de gelegenheid gesteld zijn stellingen daarop aan te passen. In de brief van 12 januari 2009 wordt slechts terloops een opmerking gemaakt dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Eerst tijdens de mondelinge behandeling is hierop uitdrukkelijk een beroep gedaan en bovendien gebeurde dit (door de wijze van behandelen) eerst in de loop van de zitting, zodat van de vrouw niet kon worden verlangd daarop op dat moment direct inhoudelijk te reageren, waartoe ook maar beperkt de gelegenheid is geweest. Onder die omstandigheden wordt de nadere reactie in de brief van 28 januari 2009 toelaatbaar geoordeeld. Overigens worden daarin geen nieuwe stellingen ingenomen.

De stelling van de man dat sprake is van een grond voor wijziging van de overeengekomen bedragen, nu de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, impliceert de stelling dat partijen onopzettelijk van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, gelet op het woord “miskenning”. Nu de vrouw heeft aangevoerd dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, dient beoordeeld te worden in hoeverre daadwerkelijk is afgeweken van de wettelijke maatstaven en of dit opzettelijk is gebeurd. Hiervoor is van belang hoe de feitelijke gang van zaken ten tijde van het aangaan van de overeenkomst is geweest.

De man heeft verklaard dat hij naar een advocaat was gegaan, die hem meedeelde dat er op basis van door de man aan te leveren gegevens een alimentatieberekening kon worden gemaakt. Dit zou veel tijd kosten. Toen heeft de man besloten zelf een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT