Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, April 03, 2009

Datum uitspraak:2009/04/03
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep

06/7303 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2006, 05/5092 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2009

  1. PROCESVERLOOP

    Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

    Het Uwv heeft een verweerschrift en nadien een rapport van 22 februari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes ingediend.

    De gemachtigde van appellante heeft een rapport van de psychiater mr. drs. J. Groenendijk van 18 juli 2007 overgelegd. Hierop heeft het Uwv gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 3 oktober 2007.

    Bij brief van 13 maart 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 11 maart 2008 overgelegd.

    Het Uwv heeft ter beantwoording van op 18 februari 2009 gestelde vragen van de Raad bij brief van 19 februari 2009 een rapport van Koek van eveneens 19 februari 2009 overgelegd.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009.Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

  2. OVERWEGINGEN

    1. Appellante was werkzaam als registratiebeambte bij een toenmalig uitvoeringsorgaan van een rechtsvoorganger van het Uwv toen zij zich op 9 juli 1996 ziek meldde met psychische klachten. Aan appellante is met ingang van 8 juli 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschikheid van 80 tot 100%.

    2. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts N. Blokland-Kuhler appellante op 6 december 2004 onderzocht. Bij het lichamelijk onderzoek nam de verzekeringsarts een normaal patroon van bewegen waar. Bij het psychisch onderzoek stelde zij vast dat de stemming dysfoor was en dat appellante emotioneel labiel, maar niet duidelijk angstig of depressief was. De te stellen beperkingen voor stress, deadlines, emotionele belasting, conflicthantering en eindverantwoordelijkheid legde deze arts vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT