Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Maastricht, 31 maart 2009

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:31 maart 2009
Uitgevende instantie::Rechtbank Maastricht
SAMENVATTING

Verdachte wordt veroordeeld voor het gebruik maken van een vals aanvraagformulier bij het aanvragen van een hypotheek, door dat formulier te ondertekenen terwijl op dat formulier in strijd met de waarheid was vermeld dat haar partner een dienstverband had. Door samen met dat formulier een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook over te leggen, is AMEV bewogen tot afgifte van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703798-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. R.H.P. van Vugt, advocaat te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart 2009. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: alleen of met anderen een vals of vervalst “Aanvraagformulier Hypotheek” heeft gebruikt;

Feit 2: alleen of met anderen[benadeelde partij 1] dan wel [benadeelde partij 2] heeft opgelicht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie:

De gedingstukken geven de rechtbank aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de officier van justitie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in verband met de vraag of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 16 augustus 2005, nu verdachte op die dag voor het eerst als verdachte werd gehoord bij de politie.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop door de bevoegde autoriteiten is gehandeld. Bij de berechting van een strafzaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Immers de strafzaak tegen verdachte is niet afgerond met een eindvonnis in eerste instantie op of voor 16 augustus 2007. Redenen of omstandigheden waarom de redelijke termijn in de onderhavige zaak op meer dan twee jaar zou moeten worden gesteld, zijn de rechtbank niet gebleken. Zulk geldt te meer nu het zogenaamde eindproces-verbaal op 15 maart 2007 werd gesloten.

In het arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad beslist dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf.

De rechtbank zal de overschrijding in de strafmaat verdisconteren.

Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich op de verklaringen van verdachte en [werkgever]. Bij het invullen van de hypotheekaanvraag wist verdachte dat de door haar en [partner van verdachte] ingevulde gegevens niet juist waren. Samen met haar partner heeft verdachte onjuiste gegevens vermeld op de hypotheekaanvraag.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Hij voert daartoe aan dat verdachte in het onder 1 ten laste gelegde feit het verwijt wordt gemaakt dat zij gebruik heeft gemaakt van een valse hypotheekaanvraag door hierin op te nemen dat [partner van verdachte] in loondienst was. Op basis van dit verwijt kan niet worden gesproken van vervalsing. Het was immers niet de hypotheekaanvraag die vals was, maar de werkgeversverklaring, de arbeidsovereenkomst en de loonstroken. Op deze laatste documenten is de tenlastelegging echter niet gericht. In de tenlastelegging gaat het om mededelingen die zijn gedaan in het kader van het “Aanvraagformulier Hypotheek”. De vragen in de hypotheekaanvraag werden echter juist beantwoord. Er was namelijk een dienstverband. Dat de onderliggende arbeidsovereenkomst is vervalst, is niet relevant. Van belang is dat er een periodieke betaling plaatsvindt en niet of er daadwerkelijk wordt gewerkt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde voert de raadsman aan dat er geen sprake is van het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT