Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, October 28, 2009

Datum uitspraak:2009/10/28
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep

05/2636 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2005, 04/1810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

  1. PROCESVERLOOP

    Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

    Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

    Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad heeft de longarts F.M.L. Palmen een rapport, gedateerd 26 maart 2009, uitgebracht.

    Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

    1.2. Bij besluit van 19 december 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 12 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

    1.3. Het tegen het besluit van 19 december 2003 gerichte bezwaar is bij besluit van 22 juli 2004 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

    2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

    3.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar van

    12 juni 2009 (hierna: besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2003 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant over de periode van 12 januari 2004 tot 19 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is overwogen dat de herziening van deze uitkering per 19 mei 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% rechtens vaststaat. Bij dit besluit heeft het Uwv bepaald dat besluit 1 niet wordt gehandhaafd.

    3.2. In een reactie op besluit 2 heeft appellant onder meer, zoals is aangegeven in zijn brief van 1 juli 2009, verzocht om herziening van het besluit waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 mei 2005 heeft herzien naar een mate van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT