Hoger beroep kort geding van Centrale Raad van Beroep, 1 februari 2010

Datum uitspraak: 1 februari 2010
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Uitspraak 1: Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. Terugvordering bijstand en langdurigheidstoeslag. Uitspraak 2: Terecht heeft het College vastgesteld dat niet voldaan is aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB neergelegde voorwaarde. Terechte afwijzing langdurigheidstoeslag. Uitspraak 3: Appellante wordt, gelet op het gezamelijk inkomen, in staat geacht ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

07/4282 WWB + 07/4283 WWB + 07/4284 WWB + 08/505 WWB + 08/1158 WWB + 09/3663 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen zes uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad, drie van 11 juli 2007, 07/453 (hierna: aangevallen uitspraak 1), 07/452 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 07/451 (hierna: aangevallen uitspraak 3), twee van 18 december 2007, 07/886 (hierna: aangevallen uitspraak 4) en 07/885 (hierna aangevallen uitspraak 5) en een van 28 mei 2009, 08/1571 (hierna: aangevallen uitspraak 6),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 februari 2010

  1. PROCESVERLOOP

    Namens appellante heeft mr. M.P.J. Appelman, advocaat te Lelystad, hoger beroepen ingesteld.

    Het College heeft verweerschriften ingediend.

    Het onderzoek ter zitting, waar de gedingen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 23 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.Th.A.M. Mes, kantoorgenoot van mr. Appelman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Rutten, werkzaam bij de gemeente Lelystad.

  2. OVERWEGINGEN

    1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), algemene heffingskorting en een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Appellante heeft met ingang van 1 december 2004 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen bestaande uit de vergoeding van overblijfkosten voor haar twee oudste kinderen en de kosten van kinderopvang voor haar jongste kind. Voorts heeft appellante bijzondere bijstand ontvangen voor advocaatkosten, tandartskosten en de kosten van een plaswekker. In 2004 en 2005 is aan appellante langdurigheidstoeslag verstrekt.

      1.2. Door de Sociale Recherche Flevoland (hierna: sociale recherche) is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand in verband met het vermoeden dat zij met [D.E. ] (verder: [D.E.]) een gezamenlijke huishouding voert. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, is [D.E.] verhoord en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 maart 2006 en een proces-verbaal van 5 april 2006.

      07/4284

      1.3.1. De onderzoeksbevindingen van voornoemd onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij een tweetal besluiten van 18 april 2006 de bijzondere bijstand van appellante vanaf 1 december 2004 en de langdurigheidstoeslag over de jaren 2004 en 2005 in te trekken alsmede de gemaakte kosten van bijzondere bijstand over de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 en de langdurigheidstoeslag tot een bedrag van in totaal € 20.979,89 van appellante terug te vorderen.

      1.3.2. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 18 april 2006 ongegrond verklaard.

      1.3.3. Bij de aangevallen uitspraak 1, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard.

      07/4283

      1.4.1. Appellante heeft op 4 februari 2006 een aanvraag ingediend om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB. Bij besluit van 23 maart 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante en [D.E.] inkomsten uit arbeid hebben ontvangen. Daarbij heeft het College verwezen naar het onderzoek door de sociale recherche, waaruit is geconcludeerd dat appellante en [D.E.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd ten tijde van belang.

      1.4.2. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 23 maart 2006 ongegrond verklaard.

      1.4.3. Bij de aangevallen uitspraak 2, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard.

      07/4282

      1.5.1. Appellante heeft op 2 maart 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ter voorziening in de overblijfkosten en de kosten van kinderopvang voor haar drie kinderen en voor advocaatkosten. Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante gelet op het gezamenlijke inkomen van haarzelf en [D.E.] in staat wordt geacht zelf in de kosten te voorzien.

      1.5.2. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 8 maart 2006 ongegrond verklaard.

      1.5.3. Bij de aangevallen uitspraak 3, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard.

      08/505

      1.6.1. Appellante heeft op 14 augustus 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ter voorziening in de overblijfkosten voor twee van haar kinderen, de kosten voor een bril en voor advocaatkosten. Bij besluit van 13 november 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante gelet op het gezamenlijke inkomen van haarzelf en [D.E.] in staat wordt geacht zelf in de kosten te voorzien.

      1.6.2. Bij besluit van 3 mei 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 13 november 2006 ongegrond verklaard.

      1.6.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 4 - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De gegrondverklaring van het beroep berust op de overweging dat het College appellante in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen gelegenheid heeft geboden haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.

      08/1158

      1.7.1. Appellante heeft op 2 juni 2005 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor tandarts- en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT