Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, February 03, 2010

Datum uitspraak:2010/02/03
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer LJN ZB8069 en BF6694) rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geen sprake is. Naar het oordeel van de Raad geldt deze vooronderstelling eveneens bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Dit is slechts anders indien het eigen werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de juistheid van deze vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellante geen sprake. Weliswaar is zij bij haar oude werkgever ontslagen ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

09/4679 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2009, 07/4599 en 08/4429 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2010

  1. PROCESVERLOOP

    Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, medewerker van DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

    Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

    De gemachtigde van appellante heeft de Raad bij brief van 11 december 2009 nadere informatie doen toekomen.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009 waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en voegt daar nog het volgende aan toe.

    1.2. Appellante, geboren [in] 1956, is op 27 januari 2005 in verband met vermoeidheids- en rugklachten uitgevallen als medewerkster postkantoor/facilities. Na het einde van de wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2007 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 januari 2007 geen recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

    1.3. Appellante is in dat kader onderzocht door de verzekeringsarts R.R.J. Weijers. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 29 maart 2007 geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 maart 2007. De arbeidsdeskundige H.J.M. Berkers heeft na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellante en het standpunt ingenomen dat appellante in die functies een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%.

    1.4. Bij besluit van 8 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante dat was gericht tegen het besluit van 15 mei 2007, na heroverweging waarbij het aantal beperkingen in de FML op 30 juni 2008 is uitgebreid...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT