Verzet van Centrale Raad van Beroep, 11 januari 2013

Datum uitspraak:11 januari 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verzet. Appellante heeft aangevoerd dat zij het griffierecht bij brief van 14 maart 2012 contant heeft betaald. Geen brief ontvangen van 14 maart 2012. In de financiële administratie van de Raad is ook overigens geen door of namens appellante gedane betaling aangetroffen. Appellante heeft bij brief van 10 juli 2012 gereageerd met de mededeling dat zij bereid is het verschuldigde griffierecht... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/528 ANW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2011, 11/3209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 11 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 4 mei 2012 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 4 mei 2012 heeft appellante verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 december 2012, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 4 mei 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 27 februari 2012 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

In het verzetschrift heeft appellante aangevoerd dat zij het griffierecht bij brief van 14 maart 2012 contant heeft betaald.

Vaststaat dat bij de Raad geen brief van appellante van 14 maart 2012 is ontvangen. In de financiële administratie van de Raad is ook overigens geen door of namens appellante gedane betaling aangetroffen.

Bij brief van 18 juni 2012 heeft de Raad appellante geadviseerd bij het postbedrijf in Marokko te informeren naar de verzending van haar brief en haar verzocht de Raad binnen een termijn van zes weken te informeren.

Appellante heeft bij brief van 10 juli 2012 gereageerd met de mededeling dat zij bereid is het verschuldigde griffierecht opnieuw te voldoen en heeft verzocht om toezending van een nieuwe acceptgirokaart.

De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT