Raadkamer van Gerechtshof 's-Hertogenbosch, January 15, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/01/15
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
SAMENVATTING

Art. 12 Sv.; art. 207 Sr: Beschuldiging van meineed. Beklag afgewezen wegens ontbreken van voldoende bewijs.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K12/0247

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

wonende te Breda,

hierna te noemen: klager,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht,

over de beslissing van de officier van justitie te Middelburg tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

hierna te noemen: beklaagde,

wegens meineed.

De feitelijke gang van zaken.

Op 21 december 2011 heeft klager aangifte gedaan van meineed, beweerdelijk gepleegd door beklaagde.

Op 8 maart 2012 is door de officier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde een leugenachtige verklaring heeft afgelegd.

Hierop is namens klager bij schrijven van 11 mei 2012 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 14 mei 2012, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 11 juli 2012 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 9 oktober 2012 is bepaald dat de zaak op 27 november 2012 inhoudelijk zal worden behandeld.

Op 27 november 2012 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Door de advocaat van klager is tijdens het verhoor in raadkamer primair de vervolging van beklaagde, subsidiair nader onderzoek bepleit.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klager deed op 21 december 2011 aangifte van meineed, beweerdelijk gepleegd door beklaagde in een door hem op 25 januari 2011 als getuige afgelegde verklaring bij de rechtbank Middelburg. Het getuigenverhoor van beklaagde vond plaats in het kader van een civiele procedure, strekkende tot schadevergoeding aan een slachtoffer van [pater X.], die in 1990 door de rechtbank Middelburg is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen. Klager stelt ook één van de slachtoffers van genoemde pater te zijn geweest.

Klager is van oordeel dat beklaagde tijdens het gewraakte getuigenverhoor over een viertal onderwerpen meinedig heeft verklaard:

a. zijn wetenschap van het misbruik door genoemde [pater X.] in [plaats1];

b. (de vorm van) zijn contacten met de congregatie van [congregartie Y];

c. zijn wetenschap van het misbruik door die [pater X.] in [plaats2];

d. het moment...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT