Hoger beroep kort geding van Court of Appeal of Leeuwarden (Netherlands), 11 de Diciembre de 2012

Sprekergepubliceerd
Datum uitspraak11 de Diciembre de 2012
Uitgevende instantie:Court of Appeal of Leeuwarden (Netherlands)

Arrest d.d. 11 december 2012

Zaaknummer 200.113.935/01

(zaaknummer rechtbank: 554917 VV EXPL 12-77)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting Hanzehogeschool Groningen,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Hanzehogeschool,

advocaat: mr. D. Lacevic, kantoorhoudende te Groningen,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, kantoorhoudende te Zwolle,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 7 september 2012 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 24 september 2012 is door Hanzehogeschool hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 2 oktober 2012.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, die ook de grieven bevat en waaraan producties zijn gehecht, luidt:

bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van 7 september 2012, uitgesproken door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, tussen partijen in kort geding gewezen, en opnieuw recht doende, de vorderingen van geïntimeerde als in eerste aanleg ingesteld, als eiser alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Bij memorie van antwoord, waarbij producties zijn overgelegd, is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Hanzehogeschool niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering althans deze zal afwijzen, zulks met veroordeling van Hanzehogeschool in de kosten van de procedure in appèl.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Bij gelegenheid van het pleidooi zijn door Hanzehogeschool nog enkele producties in het geding gebracht.

Ten slotte heeft Hanzehogeschool de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Hanzehogeschool heeft negen grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

  1. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.10) van het beroepen vonnis de feiten vastgesteld. Nu niet is gebleken van bezwaren tegen deze feitenvaststelling, kan daar in hoger beroep van worden uitgegaan. Met wat verder over de feiten vaststaat, gaat het hof van de volgende feiten uit.

    1.1. [geïntimeerde] is vanaf september 1988 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) Hanzehogeschool, laatstelijk in de functie van teamleider onderwijs (B) met een volledige normbetrekking tegen een salaris van € 5.385,74 bruto per maand exclusief emolumenten.

    1.2. Op de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] is van toepassing de CAO-HBO (hierna: de CAO). In de leden 2 tot en met 4 van artikel C-3 van de CAO is het volgende bepaald:

    “2. De werknemer wordt bij de hogeschool dan wel bij de rechtspersoon die de hogeschool of het geheel van hogescholen in stand houdt benoemd in een functie bij de hogeschool of bij het geheel van hogescholen.

  2. In de arbeidsovereenkomst wordt, mede ter verbetering van de inzetbaarheid, een omschrijving van de hoofdlijnen opgenomen van de door de werknemer te vervullen taken. Uitgangspunt is dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de hogeschool, zonder dat er een strakke definitie van functie en standplaats geldt. Bij veranderingen in de organisatie van opleidingen kan de functie-inhoud en de plaats waar de werkzaamheden in de regel worden verricht gewijzigd worden, zonder dat de arbeidsovereenkomst aangepast wordt en zonder gevolgen voor de afgesproken arbeidsvoorwaarden.

  3. Over belangrijke facetten van de functie-inhoud, de wijziging daarvan en de gevolgen van een wijziging voor onder andere reiskosten en reistijd, pleegt de werkgever overleg met de werknemer. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden gezien het functieniveau van de werknemer redelijkerwijs aan deze werknemer kunnen worden opgedragen. ”

    Lid 3 van artikel E-3 van de CAO luidt als volgt:

    “Indien het niet mogelijk is de werknemer in relatie tot zijn betrekkingsomvang voldoende bij de functie behorende werkzaamheden op te dragen, kunnen hem andere werkzaamheden worden opgedragen, mits deze mede in verband met zijn persoonlijkheid en functieniveau passend zijn.”

    1.3. Sinds september 2005 vervult [geïntimeerde] haar functie op de afdeling Vormgeving van de onder Hanzehogeschool vallende Academie voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Popcultuur Minerva (hierna: Minerva). Haar leidinggevende is mevrouw [de leidinggevende], dean van Minerva. [geïntimeerde] maakt deel uit van het managementteam (MT) van Minerva, dat bestaat uit de vijf teamleiders en de dean.

    1.4. [geïntimeerde] is in 2011 en 2012 langdurig (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest in verband met, onder meer, hartklachten. Vanwege haar (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid is eind maart 2012 ter ondersteuning van [geïntimeerde] een interim teamleider, in de persoon van mevrouw [interim teamleider], aangesteld bij de afdeling Vormgeving van Minerva.

    1.5. Op 14 en 29 mei 2012 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [geïntimeerde], [de leidinggevende] en een medewerker van P&O van Hanzehogeschool, de heer

    [P&O-medewerker]. Daarbij is onder meer gesproken over de optie dat [geïntimeerde] elders binnen Hanzehogeschool werkzaamheden gaat verrichten. In het verslag dat [de P&O-medewerker] op 31 mei 2012 heeft gemaakt van het gesprek van 29 mei 2012 is vermeld dat [geïntimeerde] heeft besloten om te stoppen als teamleider. [geïntimeerde] heeft in een e-mailbericht van 4 juni 2012 aan [de leidinggevende] en [de P&O-medewerker] laten weten niet met dit verslag te kunnen instemmen. Zij heeft onder meer geschreven:

    "Met name de zinsnede in de laatste alinea “het besluit van [geïntimeerde] om te stoppen” is een voor misverstand vatbare formulering. Ik heb niet besloten te stoppen als Hoofd Vormgeving maar heb het aanbod van P&O aanvaard om een verkenningstraject aan te gaan naar een gelijkwaardige baan. Uitgangspunt daarbij is een functie van 1 fte in schaal 13.”

    De bijlage bij het e-mailbericht bevatte het door [geïntimeerde] gecorrigeerde gespreksverslag.

    1.6. In een brief van 6 juni 2012 aan Hanzehogeschool heeft de advocaat van [geïntimeerde] laten weten dat [geïntimeerde] niet instemt met het haar meegedeelde voornemen van [de leidinggevende] om [geïntimeerde] na de zomervakantie niet te laten terugkeren in haar functie.

    1.7. De bedrijfsarts van Hanzehogeschool heeft Hanzehogeschool op 15 juni 2012...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT