Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet

Besluit van 7 december 2020 tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving en enkele andere algemene maatregelen van bestuur vanwege het opnemen van regels over landinrichting, voorkeursrecht en onteigening en een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 27 maart 2020, nr. 2020-0000142581, Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de artikelen 2.24, eerste lid, 4.3, eerste lid, 12.24, vierde lid, 12.37, derde lid, 13.11, eerste en tweede lid, 13.15, derde lid, 13.17, tweede lid, 13.20, zesde lid, 13.22, eerste lid, 16.139, eerste lid, en 18.3 van de Omgevingswet, artikel 44, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers, artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962 en artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 september 2020, nr. W04.20.0069/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 december 2020, nr. 2020-0000683133, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 AANVULLING EN WIJZIGING BESLUITEN OP GROND VAN DE OMGEVINGSWET

Artikel 1.1

(Besluit kwaliteit leefomgeving).

Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 1.1a komt te luiden:

Artikel 1.1

a (grondslag).

Dit besluit berust op de artikelen 1.5, tweede lid, 2.10, vierde lid, 2.11, tweede lid, 2.11a, 2.14, 2.15, eerste lid, 2.18, eerste lid, 2.19, vijfde lid, 2.24, eerste lid, 2.39, vierde lid, 2.41, tweede lid, 2.43, eerste en tweede lid, 3.10, tweede lid, 3.13, 3.16, tweede lid, 5.18, 5.31, eerste lid, 5.34, tweede lid, 5.38, derde lid, 5.40, eerste en tweede lid, 5.42, eerste en derde lid, 12.24, vierde lid, 12.37, derde lid, 16.139, eerste lid, 20.1, derde en vierde lid, 20.2, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 20.3, eerste lid, 20.6, eerste lid, 20.8, eerste lid, 20.10, eerste lid, 20.14, derde en vierde lid, en 20.16, eerste lid, van de wet, artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, en 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. BVoor artikel 2.9 wordt ingevoegd:

§ 2.2.2.0 Algemeen

CIn artikel 5.129a wordt «bijlage XIIIa» vervangen door «bijlage XIIIc».DIn afdeling 5.1 wordt na paragraaf 5.1.7 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5.1.7a Gebruik van bouwwerken

Artikel 5.161

c (aanwijzing woningbouwcategorieën).

  1. Een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet kosten moeten worden verhaald, kan regels over te realiseren categorieën woningen bevatten, voor zover het gaat om: a. sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; b. sociale koopwoningen, zijnde koopwoningen met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie; c. geliberaliseerde woningen voor middenhuur, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs; en d. woningen die alleen mogen worden gebouwd in particulier opdrachtgeverschap. 2. Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, bevat, bepaalt dat het gebruik van bedoelde woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen respectievelijk geliberaliseerde woningen voor middenhuur in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn. 3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt: a. voor sociale huurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname; b. voor sociale koopwoningen: ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname; en c. voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur: ten minste tien jaar na ingebruikname. 4. Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, bevat, verzekert dat bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet op percelen voor particulier opdrachtgeverschap worden verricht door een burger of een groep van burgers, georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst, die: a. ten minste een zakelijk recht op het gebruik van de grond verkrijgt; en b. volledige zeggenschap heeft en verantwoordelijkheid draagt over het gebruik van de grond en over het ontwerp en de bouw van de woning. EIn artikel 8.18, vierde lid, wordt «geleuid» vervangen door «geluid».FIn artikel 8.38 wordt «8.13, tweede lid,,» vervangen door «8.13, tweede lid,».GIn artikel 9.1, tweede lid, wordt «de paragrafen 5.1.5.5 en 5.1.8» vervangen door «de paragrafen 5.1.5.5, 5.1.7a en 5.1.8». HIn hoofdstuk 10 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 10 1 RUILBESLUITEN EN BESLUITEN GELDELIJKE REGELINGEN Artículos 10.1 a 10.23

§ 10.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 10.1

(landbouwgronden en natuurterreinen).

  1. Bepalingen in deze afdeling die gaan over landbouwgronden, zijn van overeenkomstige toepassing op gronden waarop onmiddellijk enige vorm van landbouw kan worden uitgeoefend. 2. Bepalingen in deze afdeling die gaan over bos, zijn van overeenkomstige toepassing op heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, voor zover het geen gronden zijn waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend.

§ 10.1.2 Ruilbesluiten

Artikel 10.2

(agrarische verkeerswaarde).

  1. Gedeputeerde staten stellen per herverkavelingsblok de agrarische verkeerswaarde van gronden vast op basis van het prijsniveau van de landbouwgronden die in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit in het herverkavelingsblok zijn verkocht. 2. Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit geen verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht. 3. Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit onvoldoende verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar binnen het herverkavelingsblok gronden zijn verkocht en de prijs waarvoor vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht.

Artikel 10.3

(begrenzing bebouwd perceel bij toedeling naastgelegen perceel).

In een ruilbesluit wordt bij toedeling van een naastgelegen perceel de grens van een perceel waarop een gebouw staat niet aangepast als dat voor de eigenaar of gebruiker van het gebouw zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van het gebouw.

Artikel 10.4

(uitruilbaarheid waterlopen, plassen en lijnvormige landschapselementen).

  1. In een ruilbesluit zijn tegen een nihil inbreng uitruilbaar: a. een waterloop met een bovenbreedte van ten minste 5 m; b. een plas met een oppervlakte van ten minste 25 m2; en c. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van ten minste 5 m. 2. In een ruilbesluit zijn als aangrenzende gronden uitruilbaar: a. een waterloop met een gemiddelde bovenbreedte van minder dan 5 m; b. een plas met een oppervlakte van minder dan 25 m2; en c. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van minder dan 5 m. 3. In een ruilbesluit kan voor het gehele herverkavelingsblok voor waterlopen, plassen of lijnvormige landschapselementen een andere breedte of oppervlakte worden aangehouden dan de breedten en oppervlakten, bedoeld in het eerste en tweede lid, als dat vanwege de specifieke kenmerken van dat herverkavelingsblok nodig is voor een doelmatige herverkaveling.

Artikel 10.5

(uitruilbaarheid wegen met openbaar karakter).

In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet en een weg die anderszins een openbaar karakter heeft in zijn geheel uitruilbaar tegen een nihil inbreng.

Artikel 10.6

(uitruilbaarheid weg die aan openbaar verkeer wordt onttrokken).

In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet uitruilbaar als die weg volgens het inrichtingsbesluit aan het openbaar verkeer wordt onttrokken.

Artikel 10.7

(uitruilbaarheid waterloop waarvan openbaar gebruik vervalt).

In een ruilbesluit is een waterloop met een openbaar gebruik uitruilbaar als dat openbaar gebruik volgens het inrichtingsbesluit vervalt.

Artikel 10.8

(rangorde uitruilbaarheid gronden voor bos, natuur of agrarisch natuurbeheer).

  1. In een ruilbesluit zijn uitruilbaar gronden die in een gebied liggen waarvoor op grond van artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of een provinciale verordening...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT