Aanvullingswet bodem Omgevingswet

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Wet van 19 februari 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingswet bodem Omgevingswet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om de Omgevingswet aan te vullen met regels met het oog op de bescherming van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 WIJZIGINGEN IN DE OMGEVINGSWET

Artikel 1.1

(Omgevingswet).

De Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 2.28 wordt als volgt gewijzigd:1. De punt aan het slot van onderdeel h wordt vervangen door een komma. 2. Na onderdeel h wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: i. het beschermen van de gezondheid en het milieu, met betrekking tot het beschermen van de bodem of het voorkomen van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid vanwege het gebruik van de bodem. BAan artikel 4.12, eerste lid, onder a, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:3°. met betrekking tot het op of in de bodem brengen van meststoffen,. CAan artikel 10.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:5. Een rechthebbende gedoogt maatregelen, in het kader van het beschermen van de kwaliteit van grondwaterlichamen, opgenomen in: a. een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, b. een programma van een waterschap als bedoeld in artikel 3.7, of c. een programma van het college van burgemeester en wethouders. DNa artikel 10.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.10

a (gedoogplicht maatregelen toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem).

  1. Een rechthebbende gedoogt dat tijdelijke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 19.9c worden uitgevoerd ter voorkoming of beperking van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan verontreiniging van de bodem. 2. Artikel 5:27 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. ENa artikel 10.13a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.13

b (gedoogplicht nazorg bodem).

Het college van burgemeester en wethouders kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor: a. het verrichten van onderzoek naar verontreiniging van de bodem voor het vaststellen van de doeltreffendheid en effecten van maatregelen ter uitvoering van regels over milieubelastende activiteiten op grond van artikel 4.1 of 4.3, of b. de uitvoering van maatregelen uit een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d of 39e van de Wet bodembescherming of van maatregelen in het kader van nazorg krachtens artikel 39b van die wet, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. FNa artikel 10.21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.21

a (gedoogplicht verontreiniging van de bodem zorgplicht of ongewoon voorval).

Het college van burgemeester en wethouders kan voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van een verontreiniging of aantasting van de bodem aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor: a. het verrichten van onderzoek door de veroorzaker naar de aard en omvang van die verontreiniging of aantasting, b. het treffen van maatregelen door de veroorzaker voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van die verontreiniging of aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan. GIn artikel 16.33, vierde lid, wordt na «een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in de artikelen 10.19 en 10.19a» ingevoegd: of artikel 10.21a. HArtikel 16.81 vervalt.INa afdeling 19.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 19.2a Toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem

Artikel 19.9

a (toepassingsbereik afdeling 19.2a).

  1. Deze afdeling is van toepassing als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. ten minste een redelijk vermoeden bestaat van een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, en b. onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen, met inbegrip van onderzoek naar de aard en omvang van de risico’s voor de gezondheid, noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid als gevolg van directe of indirecte blootstelling aan verontreiniging op of in de bodem te voorkomen of te beperken. 2. Van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid is in ieder geval sprake bij directe blootstelling aan concentraties van stoffen die de op grond van artikel 2.24 vastgestelde, ten hoogste...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT