Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Oorspronkelijke versie:<a href='/vid/algemene-pensioenwet-politieke-ambtsdragers-759164441'>Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers</a>
 
GRATIS UITTREKSEL

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste afdeling. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Aanmelding
Artikel 2a
  • 1 De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:

    • a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;

    • b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud;

    • c. beiden ongehuwd zijn;

    • d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en

    • e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.

  • 2 Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid.

  • 3 Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.

  • 4 Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.

  • 5 Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.

  • 6 De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.

  • 7 Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:

    • a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;

    • b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of

    • c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.

  • 8 Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 9 Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.

  • 10 Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.

  • 11 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger, kan voor «basisregistratie personen» telkens worden gelezen: basisadministratie, als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES.

Artikel 2b
  • 1 Artikel 2a is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d met uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger.

  • 2 Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • b. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • c. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet;

    • d. pensioenrichtleeftijd: de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964.

  • 2 Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.

  • 3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 2
  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;

    • b. nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager op de dag van overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien van wie door de overledene aanmelding had plaatsgevonden.

  • 2 Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van

    • a. de tweede afdeling van deze wet: minister;

    • b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.

  • 3 Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.

Artikel 3. Bijzonder nabestaandenpensioen

De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4. Tijdelijk pensioen

De bepalingen van deze wet voor het nabestaanden- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4a

Op een bij of krachtens deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen 47, 53, 55, vierde lid, en 97 van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing.

Tweede afdeling. Ministers en staatssecretarissen
Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen
Artikel 5
  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.

  • 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • c. overheidswerknemer: een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, die werkzaam was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 3. De uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8a
  • 1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.

  • 2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

  • 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT