Bankwet 1998

Abbreviated label:Geen
Court:Financiën

Geldend van 01-01-2019 t/m heden

Wet van 26 maart 1998, houdende nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank N.V. in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Bankwet 1998)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doelstellingen, taken en werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. opnieuw te regelen in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de in dat Verdrag voorziene oprichting van een Europees Stelsel van Centrale Banken waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met betrekking tot de taken en plichten die bij het Verdrag aan dat Stelsel zijn opgedragen een integrerend onderdeel vormt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

    • b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

    • c. het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

    • d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

    • e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 282, eerste lid, van het Verdrag;

    • f. de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 129, tweede lid, van het Verdrag;

    • g. verordening valsemunterij: verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG 2001, L 181);

    • h. verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme: verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225).

  • 2 De Bank vormt een integrerend onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken met betrekking tot de taken en plichten die het Verdrag aan dat Stelsel opdraagt.

Hoofdstuk II. Doelstellingen, taken en werkzaamheden van de Bank
§ 1. Doelstellingen en taken
Artikel 2
  • 1 Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank als doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit.

  • 2 Ter uitvoering van het Verdrag ondersteunt de Bank, onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische beleid in de Europese Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie.

  • 3 De Bank handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 119 van het Verdrag.

  • 4 De Bank heeft voorts als doelstelling het uitvoeren van taken, anders dan die bedoeld in artikel 3, voorzover deze haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

Artikel 3
  • 1 Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij aan de vervulling van de volgende taken

    • a. het bepalen van het monetaire beleid en het ten uitvoer leggen van dat beleid;

    • b. het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel 219 van het Verdrag;

    • c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves;

    • d. het verzorgen van de geldsomloop voorzover deze uit bankbiljetten bestaat;

    • e. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.

  • 2 Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op banken en de stabiliteit van het financiële stelsel.

  • 3 Ter uitvoering van het Verdrag is het de Bank toegestaan bij de uitoefening van haar taken en plichten ingevolge het eerste en tweede lid instructies te vragen aan en te aanvaarden van uitsluitend de Europese Centrale Bank.

Artikel 4
  • 1 De Bank heeft tot taak:

    • a. het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen;

    • b. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer;

    • c. het bevorderen van de stabiliteit van het financiële stelsel;

    • d. het verzamelen van statistische gegevens en het vervaardigen van statistieken op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen;

    • e. het uitoefenen van afwikkelingstaken met betrekking tot bepaalde financiële ondernemingen op voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

  • 2 De Bank kan de in het eerste lid genoemde taken mede uitvoeren in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

  • 3 De Bank kan, na toestemming bij koninklijk besluit, in het algemeen belang zowel in het Europese deel van Nederland als in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba andere taken uitvoeren dan de in deze wet genoemde.

Artikel 4a

De Bank neemt bij de uitoefening van haar taak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, tot uitgangspunt dat een beroep op de publieke middelen wordt vermeden. Indien met het oog op de afwikkelingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een beroep op buitengewone openbare financiële steun onvermijdelijk is, wordt dat beroep beperkt tot hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstellingen.

§ 2. Werkzaamheden
Artikel 5

De Bank is bevoegd die werkzaamheden te verrichten die nodig zijn ter uitvoering van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde taken, waaronder met name de werkzaamheden die in deze paragraaf zijn genoemd. De Bank verricht deze werkzaamheden in overeenstemming met het Verdrag.

Artikel 6

De Bank is bevoegd tot het uitgeven van bankbiljetten.

Artikel 6a

[Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 7

De Bank is bevoegd de Europese Centrale Bank bij te staan bij het verzamelen van gegevens op de voet van artikel 5 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

Artikel 8
  • 1 De Bank is bevoegd tot het verrichten van transacties in de financiële markten, daaronder het ontvangen van gelden in rekening-courant van rekeninghouders, het in bewaring nemen van effecten en andere voorwerpen van waarde en het verrichten van krediettransacties voorzover deze gedekt zijn door toereikend onderpand.

  • 2 Rechtshandelingen in verband met transacties, als bedoeld in het eerste lid, zijn niet vernietigbaar op grond van artikel 45 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen 42 en 47 van de Faillissementswet.

  • 3 Op verzoek van Onze Minister verricht de Bank de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden ten behoeve van de Staat en ten behoeve van instellingen die bij wet of bij koninklijk besluit in het leven zijn geroepen.

  • 4 Op verzoek van Onze Minister en in afwijking van het eerste lid verstrekt de Bank aan de Staat, telkens wanneer Onze Minister dit nodig acht voor de ordelijke afwikkeling van betalingen ten laste van de Staat, kredieten in rekening-courant, zonder onderpand en tegen een, tussen Onze Minister en de Bank overeen te komen rentevergoeding. De Staat is verplicht deze kredieten af te lossen op de dag waarop zij zijn verstrekt.

Artikel 9

De Bank kan na toestemming bij koninklijk besluit:

  • a. deelnemingen houden in het kapitaal van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in het kapitaal bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;

  • b. deelnemen aan de werkzaamheden van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in de werkzaamheden bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;

  • c. in het algemeen belang andere werkzaamheden verrichten dan bedoeld in deze paragraaf.

Hoofdstuk IIa. Echtheids- en geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten
Artikel 9a
  • 1 Kredietinstellingen, betalingsdienstverleners en economische operatoren als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de verordening valsemunterij controleren alle ontvangen eurobankbiljetten op hun geschiktheid voor circulatie alvorens deze biljetten weer in omloop te brengen.

  • 2 De geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten wordt uitgevoerd volgens de daartoe door de Europese Centrale Bank vastgestelde procedures.

  • 3 Eurobankbiljetten die ongeschikt zijn voor circulatie, worden door de in het eerste lid bedoelde instellingen ingeleverd bij de Bank.

  • 4 De Bank vergoedt de nominale waarde van de op grond van het derde lid ingeleverde eurobankbiljetten.

Artikel 9b
  • 1 Met het toezicht op de naleving van artikel 9a, eerste tot en met derde lid, en, voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten, artikel 6, eerste lid, van de verordening valsemunterij zijn belast de bij besluit van de Bank aangewezen personen.

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 9c
  • 1 De Bank is bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom ter handhaving van:

    • a. artikel 9a, eerste tot en met derde lid;

    • b. artikel 6, eerste lid, van de verordening valsemunterij, voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten;

    • c. artikel 5:20 van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT