Besluit van 15 juli 2020, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de verstrekking van justitiële gegevens over de zakelijke omgeving van betrokkene ten behoeve van het eigen onderzoek door bestuursorganen op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, tot wijziging van het Besluit Bibob en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in verband met diverse uitbreidingen van de toepassingsmogelijkheden daarvan alsmede enkele overige wijzigingen (Stb. 2020, 278)

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Besluit van 15 juli 2020, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de verstrekking van justitiële gegevens over de zakelijke omgeving van betrokkene ten behoeve van het eigen onderzoek door bestuursorganen op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, tot wijziging van het Besluit Bibob en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in verband met diverse uitbreidingen van de toepassingsmogelijkheden daarvan alsmede enkele overige wijzigingen (Stb. 2020, 278)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 6 januari 2020, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2787398; Gelet op de artikelen 9, eerste lid, en 13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en artikel IV van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in verband met diverse uitbreidingen van de toepassingsmogelijkheden daarvan alsmede enkele overige wijzigingen (Stb. 2020, 278); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2020, no. W16.20.0002/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 juli 2020, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2960148; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I
Artikel 15

van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens komt te luiden:

Artikel 15
  1. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan: a. het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten behoeve van de uitoefening van zijn wettelijk omschreven taak; b. bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, voor zover dat noodzakelijk is in de gevallen waarin zij bevoegd zijn tot toepassing van die wet. 2. De krachtens het eerste lid, onder b, verstrekte justitiële gegevens betreffen: a. de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; b. degene die direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene; c. degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over betrokkene; d. degene die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan betrokkene; e. degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager is of zal worden vermeld op de beschikking die is aangevraagd of is gegeven; f. degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene.

ARTIKEL II
Artikel 3

van het Besluit Bibob vervalt.

ARTIKEL III

Dit besluit en de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in verband met diverse uitbreidingen van de toepassingsmogelijkheden daarvan alsmede enkele overige wijzigingen (Stb. 2020, 278) treden in werking met ingang van 1 augustus 2020.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 15 juli 2020Willem-AlexanderDe Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2020 De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

  1. Inleiding

    Het onderhavige besluit tot wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Bjsg) regelt een uitbreiding van de verstrekkingsmogelijkheid van justitiële gegevens aan bestuursorganen1 ten behoeve van hun eigen onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Sinds 20132 kunnen bestuursorganen bij de uitvoering van de Wet Bibob in de fase van hun eigen onderzoek beschikken over justitiële gegevens van de betrokkene (de aanvrager of houder van een vergunning of subsidie of de wederpartij van de overheid bij een vastgoedtransactie of aanbesteding) en van de leidinggevende aan een rechtspersoon. Door het onderhavige besluit kunnen bestuursorganen voortaan ook beschikken over de justitiële gegevens van relevante zakelijke relaties van betrokkene. Dit maakt het voor bestuursorganen mogelijk om de aanwezigheid te onderkennen van justitiële antecedenten in het zakelijk netwerk van betrokkene. Het wijzigingsbesluit versterkt de mogelijkheden van het bestuur om zijn integriteit te beschermen tegen het ongewild faciliteren van criminele activiteiten en maakt onderdeel uit van de actie-agenda van dit kabinet in de aanpak van ondermijning.

  2. Hoofdlijnen

    2.1 Aanleiding

    Uit het rapport Stromanconstructies en de Wet Bibob uit 20153 bleek dat het voor een effectieve toepassing van de Wet Bibob door bestuursorganen van toegevoegde waarde is wanneer zij in de fase van het eigen onderzoek niet alleen kunnen beschikken over de gegevens van de betrokkene in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob, maar ook een goed beeld kunnen krijgen van de feitelijke zeggenschapsverhoudingen rondom de betrokkene en de antecedenten die daarbij een rol spelen. Dat is van belang, omdat mede als gevolg van de voornoemde juridische beperking tot betrokkene aannemelijk is dat niet in alle gevallen een anders voorgespiegelde zeggenschapsverhouding of een zogenoemde stromanconstructie kan worden onderzocht op justitiële antecedenten.4

    Reeds bij de inhoudelijke behandeling van de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob in het parlement kwam de vraag op of de regering omtrent deze keuze een andere afweging zou moeten maken.5 Weliswaar heeft het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) toegang tot gegevens over de betrokkenheid van derden bij strafbare feiten, maar de toenmalige commissie voor Veiligheid en Justitie in de Eerste Kamer meende dat dit in het proces te laat is, omdat bestuursorganen niet aan een adviesaanvraag bij het LBB zullen toekomen, wanneer zij niet over de relevante informatie over stromanconstructies kunnen beschikken die aanleiding zou kunnen zijn om het LBB in te schakelen. Bestuursorganen zouden daarom ook zelf, op grond van de Wet Bibob, over informatie moeten kunnen beschikken die nodig is om stromanconstructies te onderkennen zodat zij – vaker dan nu – aanleiding zullen hebben om het LBB in te schakelen.6

    Het kabinet erkende dat de commissie hier een belangrijk punt aan de orde stelde en dat het vanwege de vorming en ontwikkeling van de Regionale Informatie en Expertise Centra (hierna: RIEC’s) aangewezen zou kunnen zijn om gemeenten en provincies meer armslag te bieden bij hun eigen onderzoek. Op voorhand merkte het kabinet op dat daarvoor in elk geval een nieuwe wijziging van de Wet Bibob nodig zou zijn. Het kabinet zegde toe daarnaar onderzoek te verrichten.7 Bij brief van 2 november 20158 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het voornoemde onderzoek over stromanconstructies.

    Voor een goede beoordeling is het noodzakelijk dat bestuursorganen voldoende toegang hebben tot de achtergrondinformatie waaruit de mogelijke antecedenten van de Bibob-relatie blijken. Als het bestuursorgaan een vergunning op basis van relevante antecedenten van bepaalde derden kan weigeren, dan moet het bestuursorgaan deze antecedenten ook kunnen onderkennen. Daarom kies ik ervoor de informatiepositie verder te versterken, door het bestuursorgaan niet alleen toegang te geven tot justitiële gegevens van de betrokkene, maar ook van een aantal categorieën relevante derden, waarop ik in paragraaf 3 nader inga.

    2.2 Probleembeschrijving

    Actueel is het probleem dat criminele organisaties en/of personen in toenemende mate gebruik maken van afschermconstructies of schijnconstructies om hun criminele activiteiten te verhullen of om voet aan de grond te krijgen in vergunningplichtige sectoren en branches als de coffeeshops, bordelen en horeca.

    In de bestaande praktijk van het LBB, dat sinds de invoering van de Wet Bibob toegang heeft tot gegevens over de betrokkenheid van derden bij strafbare feiten, zijn derden steeds vaker doorslaggevend voor het aannemen van een ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob. Op dit moment blijkt in een substantieel deel van de LBB-onderzoeken een derde in de zin van artikel 3, vierde lid, onder c, van de wet de «gevaarsbepalende relatie».

    Actueel is daarnaast het rapport «De achterkant van Amsterdam», waarin werd gesteld: «De procedure om de antecedenten van vergunningaanvragers tegen het licht te houden, kent ontsnappingskansen. Door allerlei afschermingsconstructies krijgen de autoriteiten geen vat op de organisatoren van criminele netwerken. De snelheid waarmee grote hoeveelheden geld internationaal worden verlegd en daarmee aan het zicht onttrokken, is vele malen hoger dan de snelheid, noem het de traagheid waarmee rechtshulpverzoeken tussen landen worden behandeld.»9 En verderop: «De wet Bibob is op zijn grenzen aan het stuiten. De bedoeling is het beheer van gemeentelijk vastgoed en van de horeca te toetsen op laten we zeggen ordentelijkheid. Dit oogmerk is als het ware ingehaald door schijnbeheer: de aanvrager van de vergunning is niet degene die van de vergunning gebruik maakt. Een officier van justitie vat de toestand samen. Hij zegt: «Schijnbeheer is het antwoord van georganiseerde criminelen op Bibob.» Hij heeft de sterke indruk dat schijnbeheer en schijneigendom strijk en zet zijn in de hele Amsterdamse onroerende goedbranche en de horeca. «Ik denk dat de helft van de coffeeshops feitelijk in handen van anderen zijn dan van de namen die officieel op de rol staan.»»10

    Ook blijkens...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT