Besluit van 24 oktober 2016, tot wijziging van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag teneinde betalingsverplichtingen aan te wijzen ten aanzien waarvan de werknemer bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon in zijn naam betalingen te verrichten voor huisvesting en zorgverzekering en voor enkele andere betalingsverplichtingen en enkele andere wijzigingen

 
GRATIS UITTREKSEL

Besluit van 24 oktober 2016, tot wijziging van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag teneinde betalingsverplichtingen aan te wijzen ten aanzien waarvan de werknemer bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon in zijn naam betalingen te verrichten voor huisvesting en zorgverzekering en voor enkele andere betalingsverplichtingen en enkele andere wijzigingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2016, nr. 2016-0000158576; Gelet op de artikelen 6, tweede lid, 7, derde lid, 8, derde lid, en 13, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, en artikel 631, derde lid, onderdelen c en d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 september 2016, no. W12.16.0212/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2016, nr. 2016-0000220378; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt als volgt gewijzigd: A Voor artikel 1 wordt een paragraaftitel ingevoegd, luidende:

Paragraaf 1. Definities

B Voor artikel 2 wordt een paragraaftitel ingevoegd, luidende:

Paragraaf 2. Gelijkgestelde arbeidsverhoudingen

C Na artikel 2 wordt een paragraaf met vier artikelen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 3. Bevoegdheid tot volmachtverlening

Artikel 2a

  1. De werknemer is bevoegd om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon in zijn naam betalingen te verrichten aan de verhuurder ter zake van de huur van woonruimte van de huurprijs, de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten, bedoeld in artikel 237 van Boek 7, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, indien: a. de huurprijs, de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten voor het gedeelte van het uit te betalen minimumloon gezamenlijk per betalingstermijn ten hoogste 25% bedraagt van het voor de werknemer voor die termijn geldende minimumloon; en b. de verhuurder: 1°. een toegelaten instelling is als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet; of 2°. gecertificeerd is overeenkomstig de bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde normen betreffende de kwaliteit van huisvesting van werknemers na een conformiteitsbeoordeling van een instelling die door de Raad voor Accreditatie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, is geaccrediteerd op grond van deze vastgestelde norm. 2. Een schriftelijke volmacht als bedoeld in het eerste lid is nietig indien de schriftelijke volmacht wordt verleend ten aanzien van kosten voor huisvesting als bedoeld in het eerste lid, indien de werknemer als gedetacheerde werknemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, tijdelijk in Nederland arbeid verricht. 3. Bij de schriftelijke volmacht, bedoeld in het eerste lid, overlegt de werknemer de afschriften van de huurovereenkomst en van de bescheiden, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de werkgever. 4. De werkgever is bevoegd de betalingen, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, indien hij aan de hand van de afschriften van de huurovereenkomst en van de bescheiden, bedoeld in het derde lid, heeft vastgesteld dat is voldaan aan de eisen, gesteld in het eerste en tweede lid.

    Artikel 2b

  2. De werknemer is bevoegd om als verzekeringnemer schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon in zijn naam betalingen te verrichten aan de zorgverzekeraar ter zake van de verschuldigde premie voor zijn zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de verschuldigde premie voor een verzekering uitsluitend ter afdekking van zijn verplicht eigen risico, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet. De betalingen voor de verzekeringen, bedoeld in de vorige zin, bedragen gezamenlijk per betalingstermijn van het loon ten hoogste het bedrag van de geraamde gemiddelde nominale premie die een verzekerde voor een zorgverzekering betaalt, gedeeld door het aantal betalingstermijnen voor het betrokken kalenderjaar. 2. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt jaarlijks uiterlijk 1 november van het kalenderjaar het bedrag van de geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld voor het volgende kalenderjaar. 3. Bij de schriftelijke volmacht, bedoeld in het eerste lid, overlegt de werknemer de afschriften van de zorgpolis, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Zorgverzekeringswet, en van de verzekeringspolis van de verzekering, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever. 4. De werkgever is bevoegd de betalingen, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, indien hij aan de hand van de afschriften van de zorgpolis en de verzekeringspolis, bedoeld in het derde lid, heeft vastgesteld dat is voldaan aan de eisen, gesteld in het eerste lid.

    Artikel 2c

  3. De werknemer, die een arbeidsbeperkte is als bedoeld in artikel 38b, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of van wie het college van burgemeester en wethouders heeft vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet is bevoegd om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon in zijn naam betalingen te verrichten ter zake van: 1°. de huurprijs, de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten, bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, aan de verhuurder; 2°. kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter aan de nutsbedrijven, die de bedoelde voorzieningen leveren; 3°. de premie voor zijn zorgverzekering waarvan hij verzekeringnemer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, aan een zorgverzekeraar en de verschuldigde premie voor een verzekering uitsluitend ter afdekking van zijn verplicht eigen risico, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet; en 4°. de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet, de heffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer, de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet, en de waterschapsbelasting, bedoeld in artikel 110 van de Waterschapswet aan het orgaan dat bevoegd is tot inning van de heffing of de belasting. 2. Bij de schriftelijke volmacht, bedoeld in het eerste lid, overlegt de werknemer de afschriften van de huurovereenkomst en van de bescheiden waaruit de betalingsverplichtingen, bedoeld in het eerste lid blijken, aan de werkgever. 3. De werkgever is bevoegd de betalingen, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, indien hij aan de hand van de afschriften, bedoeld in het tweede lid, heeft vastgesteld dat is voldaan aan de eisen, gesteld in het eerste lid. 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op werknemers in bepaalde soorten dienstbetrekkingen die gelijkgesteld zijn met arbeidsbeperkten op grond van artikel 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

    Artikel 2d

    Vergoedingen voor onkosten van reizen, huisvesting of voeding die een gedetacheerde werknemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, maakt in verband met zijn detachering, behoren niet tot het loon, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet. D Voor artikel 3 wordt een paragraaftitel ingevoegd, luidende:

    Paragraaf 4. Preventieve stillegging en recidive

    E Voor artikel 6a wordt een paragraaftitel ingevoegd, luidende:

    Paragraaf 5. Openbaarmaking inspectiegegevens

    F Voor artikel 7 wordt een paragraaftitel ingevoegd, luidende:

    Paragraaf 6. Slotbepalingen

    ARTIKEL II

    Het Besluit van 29 juni 1983, houdende vaststelling van een minimumjeugdloonregeling (Stb. 1983, 300) wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1 wordt «de aanspraak» vervangen door: het recht. B In artikel 2, eerste lid, wordt «aanspraak» vervangen door: recht. C Artikel 4 vervalt.

    ARTIKEL III

    Het Besluit fondsen en spaarregelingen wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1 wordt «artikel 1637s, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 631, derde lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. B In artikel 11 wordt «artikel 1637s, tweede lid, onder d, van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 631, derde lid, onder d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

    ARTIKEL IV

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

    Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot Wassenaar, 24 oktober 2016 Willem-Alexander De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

    Uitgegeven de achtste november 2016 De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

    NOTA VAN TOELICHTING

    Algemeen

  4. Inleiding

    1.1 Aanleiding

    De bestuursrechtelijke handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is in 2007 gelijktijdig met het vrij verkeer voor werknemers uit de in 2004 tot de Europese Unie (EU) toegetreden lidstaten ingevoerd. De bestuursrechtelijke handhaving is ingevoerd om het toezicht op de naleving van de WML en de bestrijding van onderbetaling en ongewenste concurrentie op arbeidsvoorwaarden te ondersteunen.

    Uit de bestuursrechtelijke handhavingspraktijk werd de laatste jaren duidelijk dat sommige werkgevers, ondanks de regels in de artikelen 7:631 en 7:632 van het Burgerlijk Wetboek (BW), bepaalde kosten op het wettelijk minimumloon in mindering...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT