Besluit van 26 november 2020 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19

Besluit van 26 november 2020 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 24 november 2020, nr. 3103919, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op artikel 35, derde lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, artikel 8, derde lid van de Verzamelspoedwet COVID-19, artikel 5.4, derde en vijfde lid, van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en de artikelen 2, tweede lid en 3, tweede lid, van de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19; Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Het tijdstip van verval van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid wordt vastgesteld op 1 februari 2021.

Artikel 2

Het tijdstip van verval van artikel 1 van de Verzamelspoedwet COVID-19 wordt vastgesteld op 1 februari 2021.

Artikel 3
  1. Het tijdstip van verval van artikel 3.4 van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 wordt vastgesteld op 1 februari 2021. 2. In afwijking van artikel 5.4, derde lid van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 treedt artikel 3.2 in werking met ingang van 1 februari 2021.

Artikel 4
  1. Het tijdstip van verval van de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19 wordt vastgesteld op 1 februari 2021. 2. De periode, bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19, wordt verlengd tot en met 31 januari 2021.

Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 26 november 2020Willem-AlexanderDe Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de dertigste november 2020 De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

In de afgelopen maanden zijn door middel van verschillende wetten juridische voorzieningen gerealiseerd in verband met de COVID-19-uitbraak die het mogelijk maken op diverse terreinen problemen als gevolg van de beperkende maatregelen te voorkomen of mitigeren.

In een aantal gevallen is de tijdelijkheid van deze voorzieningen expliciet vastgelegd doordat een vervaldatum voor de betreffende wettelijke bepalingen is vastgesteld. In een deel van deze tijdelijke voorzieningen is verlenging van de geldigheid mogelijk door bij koninklijk besluit een latere vervaldatum vast te stellen die ten hoogste twee maanden na de eerdere vervaldatum ligt. Er is geen maximum gesteld aan het aantal malen dat een verlenging langs deze weg kan plaatsvinden. Dit wettelijke systeem leidt er daardoor toe dat met redelijk korte intervallen een herijking plaatsvindt van de noodzaak tot continuering van de betreffende voorzieningen, en waar nodig een verantwoording tegenover het parlement.

In dit besluit wordt voor een aantal van deze voorzieningen de laatstelijk vastgestelde vervaldata gewijzigd van 1 december 2020 in 1 februari 2021 zodat de geldigheid daarvan verlengd wordt tot deze nieuwe vervaldatum. Het betreft de in de bijlage bij deze toelichting nader aangeduide voorzieningen in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, de Verzamelspoedwet COVID-19, de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19.

Deze nota van toelichting wordt uitgebracht in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Veiligheid en Justitie.

Algemene overwegingen bij de verlenging van tijdelijke voorzieningen

De wettelijke voorzieningen waarop dit besluit ziet hebben gemeen dat zij vervielen per 1 september 2020, tenzij voor deze datum bij koninklijk besluit een ander tijdstip werd vastgesteld waarop zij vervallen. Dit tijdstip kan ten hoogste twee maanden liggen na het eerder geldende tijdstip van verval. Bij het laatstelijk...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT