Besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 april 2020, nr. WJZ/ 20071073, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de artikelen 1, tweede tot en met vierde lid, en 2, tweede en derde lid, van de Natuurschoonwet 1928; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2020, nr. W11.20.0120/IV);Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 augustus 2020, nr. WJZ/20180969, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 1 wordt als volgt gewijzigd:1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel c wordt «vóór 1850» vervangen door «vóór 1900». b. Onderdeel d komt te luiden: d. natuurterrein:

terrein bestaande uit bij ministeriële regeling aangewezen natuurtypen of landschapselementtypen;.c. In onderdeel e wordt «Onze Ministers van Economische Zaken en van Financiën» vervangen door «Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën». 2. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen. BAan artikel 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, worden tot de met natuurterreinen bezette oppervlakte van de onroerende zaak uitsluitend natuurterreinen gerekend die zelfstandig dan wel gezamenlijk met direct hieraan grenzende houtopstanden een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 hectare hebben. CNa artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

a.

Een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, aanhef en onder 2°, van de Natuurschoonwet 1928 vormt een element van het Nederlands cultureel erfgoed, indien: a. de onroerende zaak cultuurhistorische waarde heeft, omdat: 1°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan een bijzondere uitdrukking is van een voor Nederland kenmerkende culturele, sociaal-economische, bestuurlijke, beleidsmatige of geestelijke ontwikkeling; 2°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan een bijzondere uitdrukking is van een geografische, landschappelijke of historisch-ruimtelijke ontwikkeling, die evident verband houdt met de Nederlandse geschiedenis; 3°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan een bijzondere uitdrukking is van een technische of typologische ontwikkeling, die haar oorsprong heeft in Nederland of waarvan de ontwikkelaar een Nederlander is die van betekenis is geweest voor Nederland; 4°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan een bijzondere innovatieve waarde of pionierskarakter heeft, waarbij deze vernieuwing haar oorsprong heeft in Nederland; of 5°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan een bijzondere herinneringswaarde heeft door zijn verbondenheid met een historische episode die van groot belang is voor de Nederlandse geschiedenis; of b. de onroerende zaak architectonische en kunsthistorische waarde heeft, omdat: 1°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan van belang is voor de geschiedenis van de Nederlandse architectuur of Nederlandse bouwtechniek; of 2°. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan tot het oeuvre van een Nederlandse bouwmeester, architect, ingenieur of kunstenaar behoort dat voor een belangrijk deel in Nederland tot stand kwam. DArtikel 3 wordt als volgt gewijzigd:1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd: a. In de aanhef wordt «Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing» vervangen door «Artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing». b. Aan het slot van onderdeel a wordt «; en» vervangen door een puntkomma. c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: c. de oppervlakte van de onroerende zaak voor ten minste 50 percent bezet is met natuurterreinen die voldoen aan artikel 2, vijfde lid, of houtopstanden. 2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel a wordt «1 januari 1940» vervangen door «1 januari 1950». b. Aan het slot van onderdeel b wordt «; en» vervangen door een puntkomma. c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door «; en » wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: d. de onroerende zaak bezwaard is met een beperkt recht van vruchtgebruik of erfpacht en de hoofdgerechtigde van die onroerende zaak eigenaar is van de onroerende zaak die is aangemerkt als landgoed als bedoeld in onderdeel b. 3. Het vijfde lid wordt als volgt gewijzigd: a. In de aanhef wordt «het derde of vierde lid» vervangen door «het eerste, derde of vierde lid». b. In onderdeel c wordt «1 januari 1940» vervangen door «1 januari 1950». 4. Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot zevende en achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 6. In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, kan een onroerende zaak waarop een of meer golfbanen zijn gelegen, slechts als landgoed worden aangemerkt, indien de oppervlakte van iedere golfbaan voor ten minste 50 percent is bezet met natuurterreinen die voldoen aan artikel 2, vijfde lid, of met houtopstanden, en het overige deel van de onroerende zaak, indien van toepassing, voor ten minste 30 percent is bezet met natuurterreinen die voldoen aan artikel 2, vijfde lid, of met houtopstanden. 5. In het zevende lid (nieuw) wordt na «houtopstanden of natuurterreinen» ingevoegd «, en in afwijking van het derde lid, onderdeel c, en het zesde lid, kan een onroerende zaak die nog niet voor ten minste 50 percent van de oppervlakte bestaat uit houtopstanden of natuurterreinen». 6. In het achtste lid (nieuw) wordt «na inwerkingtreding van dit lid» vervangen door «na 1 juni 2017». EIn artikel 4, aanhef, wordt «terreinen» vervangen door «terreinen en opstallen op die terreinen». FArtikel 5 wordt als volgt gewijzigd:1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. In de onderdelen b en c wordt «1850» vervangen door «1900». b. In onderdeel d wordt «1 januari 1940» vervangen door «1 januari 1950». c. Onderdeel g wordt als volgt gewijzigd: 1°. In subonderdeel 1° wordt «een oppervlakte van 5 hectare niet te boven gaat» vervangen door «ten hoogste een oppervlakte van 5 hectare heeft» en wordt de puntkomma aan het slot vervangen door «; en». 2°. In subonderdeel 2° wordt «een oppervlakte van 20 hectare niet te boven gaat» vervangen door «ten hoogste een oppervlakte van 20 hectare heeft»». d. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende: i. terreinen zijn gelegen die worden gebruikt voor de landbouw die als gevolg van bij of krachtens wet geldende beperkingen niet geheel omgeven kunnen worden door houtopstanden, voor zover elk van die terreinen: 1°. ten hoogste een oppervlakte van 5 hectare heeft; en 2°. voor ten minste 75 percent van de omtrek is omgeven door houtopstanden en waar dit niet is toegestaan, door natuurterreinen, waarbij het deel van de omzoming dat uit natuurterreinen bestaat minimaal 5 meter breed is; of j. terreinen zijn gelegen die worden gebruikt voor de landbouw waarvoor geen bij of krachtens wet opgelegde beperkingen gelden voor het omgeven met houtopstanden, voor zover: 1°. elk van de terreinen: i. ten hoogste een oppervlakte van 5 hectare heeft; en ii. voor ten minste 75 percent van de omtrek is omgeven door houtopstanden of natuurterreinen; en 2°. voor zover de terreinen voor een deel omgeven worden door natuurterreinen: i. de eigenaar aannemelijk maakt dat het met natuurterreinen omgeven meer bijdraagt aan natuurdoelstellingen die voor het gebied gelden op grond van een besluit van bestuursorganen van het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap dan houtopstanden zouden bijdragen; en ii. het deel van de omzoming dat uit natuurterreinen bestaat minimaal 5 meter breed is. 2. In het tweede lid wordt «onderdeel g» vervangen door «onderdelen g, i en j». GArtikel 6 wordt als volgt gewijzigd:1. Het eerste lid komt te luiden: 1. Als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende zaak een of meer kampeerterreinen zijn gelegen, mits er per oppervlakte van 25 hectare ten hoogste één kampeerterrein is gelegen. 2. In het tweede lid, onderdeel c, vervalt «, wat betreft een onroerende zaak met een oppervlakte van ten minste 100 hectare,». HArtikel 7 wordt als volgt gewijzigd:1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd: a. De punt aan het slot van onderdeel d wordt vervangen door een puntkomma. b. Er worden drie onderdelen toegevoegd, luidende: f. voor zover het betreft een aanvraag ten aanzien van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, aanhef en onder 2°, van de Natuurschoonwet 1928, bewijsstukken en kopieën van de literatuur en documentatie waaruit blijkt dat het landgoed een element is van het Nederlands cultureel erfgoed, bedoeld in artikel 2a. De aanvrager verstrekt Onze Ministers op hun verzoek een door een beëdigde vertaler gemaakte vertaling van de ingediende documenten; g. ingeval een verzoek wordt gedaan om de onroerende zaak aan te merken als een landgoed met toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel i, bewijsstukken waaruit blijkt dat er bij of krachtens wet opgelegde beperkingen zijn die het voor een eigenaar niet mogelijk maken om te voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel g, onder 1°; en h. ingeval een verzoek wordt gedaan om de onroerende zaak aan te merken als een landgoed met toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel j, bewijsstukken waaruit blijkt dat op grond van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT