Besluit van 4 februari 2021 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 290) en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 293)

Besluit van 4 februari 2021 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 290) en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 293)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 2 februari 2021, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3185573; Gelet op artikel V, eerste lid, van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), artikel III van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), artikel CX, eerste lid, van de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 290) en artikel XI van het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 293); Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De volgende artikelen of onderdelen daarvan van de volgende wetten treden met ingang van 1 april 2021 in werking: 1. Artikelen I, onderdelen KKK tot en met PPP, en II, tweede lid, van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289). 2. Artikelen XLII, voor zover het betreft het verzoekschrift, bedoeld in artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, XLV, onderdeel B, en CIX, tweede lid, van de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 290).

ARTIKEL II

Met het oog op artikel I treden de volgende artikelen of onderdelen daarvan van de volgende wetten met ingang van 1 april 2021 uitsluitend in werking voor zover het betreft verzoekprocedures bij de Hoge Raad: 1. artikel I van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288): – onderdeel N, voor zover het betreft de artikelen 30a, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, en derde lid, onderdelen a, b, e...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT