Wet van 23 april 2003 tot aanvulling van de Wet personenvervoer 2000, strekkende tot invoering van een concessiestelsel voor het personenvervoer per trein (Concessiewet personenvervoer per trein)

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 2003

265

Wet van 23 april 2003 tot aanvulling van de Wet personenvervoer 2000, strekkende tot invoering van een concessiestelsel voor het personenvervoer per trein (Concessiewet personenvervoer per trein)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gezien de verantwoordelijkheid van de minister voor het openbaar personenvervoer de toegang tot de markt van het openbaar vervoer per trein te ordenen door de invoering van een concessiestelsel;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I AANVULLING VAN DE WET PERSONENVERVOER 2000

De Wet personenvervoer 20001 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Artikel 2, vierde lid, vervalt.

  2. In hoofdstuk I, § 3, wordt voor artikel 4 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3

a.

Deze paragraaf is van toepassing op openbaar vervoer, anders dan per trein, en besloten busvervoer.

  1. Artikel 4, vierde lid, vervalt.

  2. In artikel 5 vervallen de woorden «als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en vierde lid».

  3. In artikel 7, derde lid, en de aanhef van artikel 99 wordt «Het bestuursorgaan» telkens vervangen door: Onze Minister.

  4. In artikel 9, vijfde lid, onderdeel d, wordt «en» vervangen door een puntkomma.

    Staatsblad 2003 265 1

  5. Artikel 10 vervalt.

  6. Aan artikel 19 wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van vervoer per trein verricht door internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in richtlijn 91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237) voor zover de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde diensten worden verricht.

    I. Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20
  1. Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer per trein is Onze Minister. 2. Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein, zijn gedeputeerde staten, met uitzondering van concessies voor openbaar vervoer in een samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet bestuur in verandering. De concessies in een samenwerkingsgebied worden verleend, gewijzigd of ingetrokken door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam voor dat samenwerkingsgebied. 3. In afwijking van het eerste lid is het bestuur, bedoeld in het tweede lid, bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de bij algemene maatregel van bestuur dan wel in overeenstemming met het betrokken bestuur bij besluit van Onze Minister aangewezen vervoersdiensten die de daarbij aangeven stations verbinden. 4. In afwijking van het tweede lid zijn burgemeester en wethouders van een gemeente als bedoeld in artikel 120 bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein, ten behoeve van die gemeente.

    1. Aan artikel 23 wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verlenen van concessies voor openbaar vervoer per trein op grond van artikel 20, eerste lid.

    2. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

  2. Aan het slot van het tweede lid wordt de punt vervangen door een puntkomma en wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: c. de concessie zowel openbaar vervoer per trein als ander openbaar vervoer omvat en ten aanzien van het openbaar vervoer per trein met inachtneming van het vierde tot en met zesde lid een langere concessieduur kan worden vastgesteld.

  3. Aan het artikel worden drie leden toegevoegd, luidende: 4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet ten aanzien van concessies voor openbaar vervoer per trein. Een concessie voor openbaar vervoer per trein vervalt op een in de concessie te bepalen tijdstip. Dit tijdstip wordt zodanig vastgesteld dat daarmee naar het oordeel van de concessieverlener evenwicht bestaat tussen de op het stimuleren van de kwaliteit van het openbaar vervoer gerichte duur van de concessie en de stabiliteit en continuïteit van het openbaar vervoer. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de duur van concessies voor openbaar vervoer per trein.

    Staatsblad 2003 265 2

  4. Een concessie vervalt in elk geval vijftien jaar na de eerste dag waarop de concessiehouder ingevolge de concessie verplicht is openbaar vervoer te verrichten.

    L. Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

  5. Aan het slot van het eerste lid wordt de punt vervangen door: alsmede de prijs die de concessiehouder betaalt voor de concessie.

  6. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. In afwijking van het eerste lid bevat een concessie voor openbaar vervoer per trein, in plaats van een omschrijving van het gebied waarvoor de concessie is verleend, een omschrijving van de stations waartussen het openbaar vervoer wordt afgewikkeld.

  7. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Bij de concessieovereenkomst en de daarbij behorende financiële afspraken wordt rekening gehouden met de voor de concessiehouder geldende gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 62 van de Spoorwegwet.

    1. Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

  8. In het eerste lid wordt na «concessieverlener» ingevoegd: , bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid,.

  9. In het tweede lid wordt «artikel 24» vervangen door: artikel 25.

    1. Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

  10. In het tweede lid vervalt: volgens bij algemene maatregel van bestuur te bepalen regels.

  11. Aan het artikel worden twee leden toegevoegd, luidende: 3. Het advies, bedoeld in het tweede lid, wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het voornemen. 4. De consumentenorganisaties worden door de concessieverlener zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven.

    1. Na artikel 27 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 27

a.

  1. Voordat een concessie voor spoorvervoer per trein over de hoofdspoorweginfrastructuur wordt verleend, vraagt Onze Minister advies aan de betrokken beheerder, bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet. 2. Artikel 27, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

    1. Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

  2. In het eerste lid wordt na «openbaar vervoer» ingevoegd: anders dan openbaar vervoer per trein,.

  3. Het zesde lid vervalt.

    1. Na artikel 29 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Staatsblad 2003 265 3

Artikel 29

a.

Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, kan worden genomen indien de vervoerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt.

  1. Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

    1. In het eerste lid vervalt: de modellen van.

    2. Het tweede lid komt te luiden: 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de invoering, de acceptatie, de uitgifte, de exploitatie of het beheer van elektronische nationale vervoerbewijzen.

    3. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de erkenning van een of meer instellingen die elektronische nationale vervoerbewijzen uitgeven, exploiteren of beheren, alsmede over de voorschriften waaraan dergelijke instellingen moeten voldoen.

    4. In het vierde lid (nieuw) wordt «De concessiehouder» vervangen door: De houder van een concessie, verleend door een concessieverlener als bedoeld in artikel 20, tweede of vierde lid,.

  2. Aan artikel 31 worden drie leden toegevoegd, luidende: 4. Het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de door de concessiehouder...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT