Besluit van 18 juni 1998, houdende regels voor de hardheidsgevallen bij de toepassing van hoofdstuk II en artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij (Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij)

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 1998

368

Besluit van 18 juni 1998, houdende regels voor de hardheidsgevallen bij de toepassing van hoofdstuk II en artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij (Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 april 1998, nr. J. 983658;

Gelet op de artikelen 25 en 33 van de Wet herstructurering varkenshouderij en op de artikelen 7, derde lid, 55, zesde lid, en 61, eerste lid, van de Meststoffenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 juni 1998, no. W11.98.0173); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 15 juni 1998, nr. J. 985482;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1
  1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. wet: Wet herstructurering varkenshouderij; b. aangifte overschotheffing, grondgebonden mestproductierecht, belanghebbende, verplaatsing, kennisgeving van verplaatsing en registratie van een kennisgeving van verplaatsing: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5 van de wet; c. doorhaling: doorhaling als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Meststoffenwet; d. milieuvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer; e. aangifte overschotheffing 1994: aangifte overschotheffing die betrekking heeft op het jaar 1994; f. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

  2. Voor de toepassing van dit besluit: a. worden het niet-gebonden mestproductierecht en het grondgebonden mestproductierecht telkens in aanmerking genomen zoals deze,

    Staatsblad 1998 368 1

    al naar gelang het geval, op het desbetreffende tijdstip dan wel met betrekking tot het desbetreffende jaar voor het desbetreffende bedrijf door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd; b. wordt het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot onderscheidenlijk 1995, 1996 en 1997, telkens vermenigvuldigd met 10/7; c. worden de gegevens van de aangifte overschotheffing - daaronder begrepen de correcties -, het afsluitformulier 1995, het afsluitformulier 1996 en de vrijstellingsverklaring slechts in aanmerking genomen voorzover deze vóór 10 juli 1997 door het Bureau Heffingen zijn ontvangen.

  3. De mestproductie afkomstig van de onderscheiden in bijlage A bij de Meststoffenwet genoemde diersoorten wordt voor de toepassing van dit besluit overeenkomstig artikel 55, negende lid, van de Meststoffenwet vastgesteld op basis van het in het desbetreffende jaar gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën daarbinnen, zoals dat aantal blijkt uit onderscheidenlijk de aangifte overschotheffing 1994 of de opgave, bedoeld in artikel 7, tweede lid, juncto artikel 6, vierde lid, onderscheidenlijk bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de wet.

Artikel 2
  1. Met betrekking tot een daartoe aangemeld bedrijf, niet zijnde een bedrijf als bedoeld in artikel 8, eerste of vierde lid, van de wet, of een door samenvoeging ontstaan bedrijf als bedoeld in artikel 11, zesde lid, van de wet, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de wet de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit besluit, onder de in dit besluit geregelde voorwaarden en beperkingen. Ten aanzien van dit bedrijf wordt het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, bepaald overeenkomstig artikel 1, onderdeel o, onderscheidenlijk p, van de wet, tenzij in dit besluit anders is bepaald.

  2. Ten aanzien van een bedrijf als bedoeld in het eerste lid blijven, tenzij in dit besluit anders is bepaald, hoofdstuk II van de wet en artikel 55a van de Meststoffenwet buiten toepassing.

  3. De belanghebbende doet de in het eerste lid bedoelde melding binnen zes weken na inwerkingtreding van dit besluit bij het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend. Bij gebreke van een overeenkomstig de eerste volzin gedane melding worden de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit besluit ten aanzien van het desbetreffende bedrijf van de belanghebbende niet toegepast.

  4. Een belanghebbende kan de in het eerste lid bedoelde melding slechts doen ten aanzien van één van de paragrafen 1 tot en met 7 van hoofdstuk 2, tenzij in dat hoofdstuk anders is bepaald.

  5. Indien een belanghebbende behalve de melding, bedoeld in het eerste lid, tevens een melding heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 11 en 14 van de wet, wordt ingeval van meldingen die naar hun inhoud tegenstrijdig zijn, slechts de op grond van dit besluit gedane melding in aanmerking genomen.

    Staatsblad 1998 368 2

  6. Een melding op grond van de artikelen 9 en 10 van de wet geldt ten aanzien van paragraaf 6 van hoofdstuk 2 tevens als een melding op grond van dit besluit.

    HOOFDSTUK 2. HARDHEIDSGEVALLEN

    Paragraaf 1. BEDRIJVEN MET EEN NIET REPRESENTATIEF AANTAL VARKENS IN 1995 EN 1996

Artikel 3
  1. Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf worden bepaald overeenkomstig deze paragraaf, indien de latente ruimte zowel ten aanzien van 1995 als ten aanzien van 1996 tenminste 11% bedraagt van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar. De latente ruimte wordt bepaald door de som van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar en het met betrekking tot dat jaar geldende grondgebonden mestproductierecht te verminderen met: a. de mestproductie afkomstig van de in het desbetreffende jaar gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen, voorzover deze mestproductie groter is dan het niet-gebonden mestproductierecht voor deze diersoorten geldend met betrekking tot dat jaar, en b. de mestproductie afkomstig van de in het desbetreffende jaar gehouden varkens en kippen.

  2. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van deze paragraaf in aanmerking indien ten aanzien van het bedrijf is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    1. de mestproductie afkomstig van varkens is in 1995 of 1996 ten minste 125 kilogram fosfaat en ten minste 5% van de som van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar en het met betrekking tot dat jaar geldende grondgebonden mestproductierecht;

    2. het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is per saldo niet verkleind ten gevolge van de registratie van kennisgevingen van verplaatsingen met betrekking tot dat recht die zijn gedaan in de periode van 1 januari 1994 tot 10 juli 1997 of, ingeval het bedrijf na 1 januari 1994 door samenvoeging is ontstaan of een of meer keren is overgedragen, in de periode gelegen tussen die samenvoeging of de laatste van die overdrachten en 10 juli 1997;

    3. het blijkens de aangifte overschotheffing 1994 in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens bedraagt ten minste 110% van zowel het in 1995 als het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens zoals dat aantal blijkt uit de opgave, bedoeld in artikel 7, tweede lid, juncto artikel 6, vierde lid, onderscheidenlijk bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de wet.

  3. Het tweede lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend op 1 januari 1994 per saldo met ten minste 10% is vergroot ten gevolge van de registratie van in 1994 en 1995 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dit recht.

    Staatsblad 1998 368 3

Artikel 4
  1. Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van het bedrijf, bedoeld in artikel 3, komen overeen met het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, verminderd met 10%. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, slechts in aanmerking genomen voorzover dit aantal lager is dan zowel het voor 1995 als 1996 berekende aantal varkenseenheden, dat wordt bepaald door de som van het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar en 89% van het met betrekking tot dat jaar geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen te verminderen met achtereenvolgens: a. de mestproductie afkomstig van de in het desbetreffende jaar gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen, voorzover deze mestproductie groter is dan het niet-gebonden mestproductierecht voor deze diersoorten geldend met betrekking tot dat jaar, en b. de mestproductie afkomstig van de in het desbetreffende jaar gehouden kippen, en het verschil te delen door 7,4 kilogram fosfaat.

  2. Artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «1996» telkens wordt gelezen «1994» en in artikel 6, vierde lid, van de wet in plaats van «in de aangifte overschotheffing 1996, bij gebreke daarvan, op het afsluitformulier 1996, dan wel, bij gebreke daarvan, op de vrijstellingsverklaring 1996» wordt gelezen: in de aangifte overschotheffing 1994.

Artikel 5
  1. Indien in 1994, 1995 of 1996 registratie van een kennisgeving van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT