Besluit van 16 juni 2011, houdende wijziging van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994, ter uitwerking van de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Besluit van 16 juni 2011, houdende wijziging van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994, ter uitwerking van de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 maart 2011, directie Wetgeving, nr. 5690176/11/6;Gelet op de artikelen 3 en 20 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 mei 2011, nr. W03.11.0096/II);Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 juni 2011, directie Wetgeving, nr. 5698552/11/6;Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Reglement justitiële jeugdinrichtingen wordt gewijzigd als volgt:ADe artikelen 3 tot en met 6 komen te luiden:

Artikel 3

Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld, waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd; b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen; c. voorlopig gehechte jeugdigen; d. jeugdigen ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland dienen te verlaten dan wel zullen worden uitgezet of uitgeleverd; e. de jeugdigen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

Artikel 4
  1. Een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de inrichting plaatsvindt, neemt deel aan een scholings- en trainingsprogramma, indien: a. de jeugdige tenminste tweederde van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en b. het strafrestant minimaal drie maanden bedraagt. 2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale duur van drie maanden.

Artikel 5
  1. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. 2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, neemt op zijn vroegst een aanvang: a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de maatregel die maximaal drie jaren duurt; b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of; c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die maximaal zeven jaren duurt. 3. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.

Artikel 6

Jeugdigen die op grond van artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg in een inrichting verblijven komen niet in aanmerking voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, tenzij de deelname aan dit programma reeds een aanvang had genomen voor het tijdstip waarop de in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde machtiging werd verleend. BArtikel 7 vervalt.CArtikel 8 komt te luiden:

Artikel 8
  1. De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de wet schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en vermeldt de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid. De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma. 2. De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. 3. De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn aanvraag opstelt. 4. Bij het opstellen van de aanvraag betrekt de directeur zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij: a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten. 5. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid. 6. Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het programma weigeren, indien: a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid; b. naar zijn oordeel het karakter van vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met de wijze waarop het programma is vormgegeven onverenigbaar is, of; c. dat het programma naar zijn oordeel niet zal bijdragen aan een geslaagde terugkeer in de samenleving. 7. De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de jeugdreclassering, dan wel de reclassering die aan de aanvraag heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het een minderjarige jeugdige betreft, aan de raad voor de kinderbescherming. 8. Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor het aanvragen en het verlenen van een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en het intrekken daarvan. DArtikel 9 wordt gewijzigd als volgt:1. In het eerste, tweede en derde lid, wordt «de selectiefunctionaris» telkens vervangen door: de directeur. 2. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt: «onderscheidenlijk het delict waarvan de jeugdige wordt verdacht». 3. Het vierde lid komt te luiden: 4. De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in het arrondissement waarin de jeugdige tijdens het scholings- en trainingsprogramma zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn beslissing. 4. Het vijfde lid vervalt. 5. Het zesde lid wordt vernummerd tot vijfde lid. EArtikel 12 wordt gewijzigd als volgt:1. In het tweede lid vervalt «, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast,» en wordt «elektronisch toezicht» vervangen door: elektronische controle. 2. In het derde lid wordt onderdeel c vervangen door: c. tijdelijke terugplaatsing van de jeugdige in de inrichting, met bepaling van de duur daarvan; d. algehele beëindiging van het scholings- en trainingsprogramma. 3. Het vierde, vijfde lid en zevende lid vervallen. 4. Het zesde lid wordt vernummerd tot vierde lid. 5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 5. Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, doet de directeur mededeling aan Onze Minister, de jeugdreclassering dan wel de reclassering die de jeugdige begeleidt, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming. FNa artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12

a.

  1. Onze Minister kan de machtiging intrekken: a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid; b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht; c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma; d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend. 2. Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd. GIn artikel 13, eerste lid, vervalt: «onderdelen a en b».HIn artikel 22 en 75 wordt «Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming» vervangen door: Inspectie Jeugdzorg.IHet opschrift van Hoofdstuk 4 komt te luiden:

HOOFDSTUK 4. DE INRICHTING

JArtikel 24 wordt gewijzigd als volgt:1. Het eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen. 2. In de eerste volzin wordt «De behandelinrichtingen» vervangen door: De inrichtingen. 3. In de vierde volzin wordt «de behandelinrichting» vervangen door: de inrichting. KHet opschrift van Hoofdstuk 5 komt te luiden:

HOOFDSTUK 5. HET PERSPECTIEFPLAN

LDe artikelen 25 tot en met 27 komen te luiden:

Artikel 25
  1. Het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT