Oorlogswet voor Nederland

CourtAlgemene Zaken
Abbreviated LabelOWN
Subject MatterStaats- en bestuursrecht | Militair recht

Geldend van 17-02-1999 t/m heden

Wet van 3 april 1996, houdende hernieuwde vaststelling van de Oorlogswet voor Nederland ter aanpassing aan de Grondwet en aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Oorlogswet voor Nederland)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en met de artikelen 11, 81 en 89 van de Grondwet wenselijk is de Oorlogswet voor Nederland opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
  • 1 Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 9 tot en met 14 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.

  • 2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde bepalingen.

  • 3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

  • 4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, kunnen bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking worden gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

  • 5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

  • 6 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 2

Zo spoedig mogelijk na het moment waarop bepalingen uit hoofdstuk II buiten werking zijn gesteld, dan wel het moment waarop de werking van deze bepalingen van rechtswege is geëindigd, wordt van Onzentwege aan de beide Kamers der Staten-Generaal mededeling gedaan van hetgeen is verricht ingevolge de bevoegdheden die in die bepalingen zijn gegeven.

Artikel 3

De bevoegdheden die in hoofdstuk II van deze wet worden toegekend aan Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand aan het militair gezag, worden slechts uitgeoefend voor zover zulks naar het oordeel van Onze Minister van Defensie dan wel van het militair gezag geboden is ter uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid.

Artikel 4
  • 1 De bevoegdheden, die deze wet aan het militair gezag toekent, worden uitgeoefend door militaire autoriteiten, die door Onze Minister van Defensie als militaire gezagsdragers worden aangewezen.

  • 2 Bij die aanwijzing wordt tevens geregeld de hiërarchische verhouding van de militaire gezagsdragers met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheden.

  • 3 De aanwijzing, krachtens het eerste lid gedaan, wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en verder op de wijze vastgesteld in het desbetreffende besluit.

Artikel 5
  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister-President, wordt een instructie voor het militair gezag vastgesteld.

  • 2 Onze Minister van Defensie is bevoegd aanwijzingen te geven ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde instructie.

Artikel 6

Onder maatregel wordt in deze wet begrepen een voorschrift, een beslissing, alsmede de buitenwerkingstelling van een zodanige maatregel of een daarin aangebrachte wijziging.

Artikel 7
  • 1 Onze Minister van Defensie dan wel het militair gezag pleegt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk II van deze wet, tevoren voor zover mogelijk overleg met de organen van burgerlijk gezag.

  • 2 Verordeningen, op grond van deze wet door Onze Minister van Defensie dan wel het militair gezag gegeven, bepalen het tijdstip waarop zij in werking treden en worden bekendgemaakt op de wijze vastgesteld in die verordeningen. De verordeningen worden in elk geval geplaatst in het Staatsblad.

  • 3 Onze Minister van Defensie dan wel het militair gezag deelt de in het tweede lid bedoelde verordeningen zo spoedig mogelijk mede aan de daarbij betrokken Ministers en aan de overige autoriteiten wie het aangaat.

  • 4 De organen van burgerlijk gezag geven van maatregelen welke zij krachtens de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag hebben gegeven respectievelijk gelast, zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister van Defensie en het militair gezag.

  • 5 Maatregelen krachtens de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag gegeven respectievelijk gelast door organen van burgerlijk gezag, blijven buiten toepassing indien zij naar het oordeel van Onze Minister van Defensie, dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand naar het oordeel van het militair gezag, strijdig zijn met verordeningen en maatregelen, ingevolge deze wet gegeven respectievelijk gelast door Onze Minister van Defensie dan wel het militair gezag.

Artikel 8
  • 1 De militair is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van de buitengewone bevoegdheden uit hoofdstuk II van deze wet geweld te gebruiken wanneer het daarmede beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

  • 2 Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

  • 3 De uitoefening van de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld over het gebruik van geweld bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk II. Buitengewone bevoegdheden
Artikel 9

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

  • 1 Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, is bevoegd, indien kennis daarvan naar zijn oordeel voor de uitoefening van de in dit hoofdstuk gegeven bevoegdheden noodzakelijk is, van een ieder inlichtingen te verlangen en inzage te vorderen van bescheiden alsmede van informatiedragers waarop gegevens zijn vastgelegd.

  • 2 Indien inzage als bedoeld in het eerste lid is gevorderd, kan hij teneinde afschriften te maken voor korte tijd afgifte vorderen dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte vorderen.

  • 3 Een ieder is verplicht de op grond van het eerste lid verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken en de op grond van dat lid gevorderde inzage alsmede de op grond van het tweede lid gevorderde afgifte dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte te verlenen.

  • 4 Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de in het derde lid bedoelde verplichting moet worden nagekomen.

  • 5 Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van inzage van bescheiden en gegevens, alsmede het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

Artikel 10

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, is bevoegd de toegang tot of het gebruik van bepaalde gebouwen, verblijfplaatsen of terreinen voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur te beperken of geheel te verbieden.

Artikel 11

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, is bevoegd het vertoeven in de open lucht te beperken.

Artikel 12

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, is bevoegd de toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van gebieden te regelen.

Artikel 13

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

Onze Minister van Defensie dan wel in geval van de beperkte of de algemene noodtoestand het militair gezag, is bevoegd bij verordening de uitoefening van zijn bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12, op te dragen aan andere organen.

Artikel 14

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT