Wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 1998

374

Wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Spoorwegwet in overeenstemming te brengen met richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (Pb L 143) en met richtlijn nr. 95/19/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van gebruiksrechten voor de infrastructuur (Pb L 143);

Zo is het, dat Wij , de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Spoorwegwet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk III komt te luiden:

HOOFDSTUK III. TOEGANGS- EN DOORVOERRECHTEN; GEBRUIKSVERGOEDING

§ 1. Algemeen

Artikel 28
  1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. spoorwegonderneming: iedere onderneming waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het leveren van spoorwegvervoerdiensten voor goederen of reizigers en die beschikt over de tractie om de bedoelde diensten te verzorgen; b. internationaal samenwerkingsverband: ieder samengaan van ten minste twee in verschillende lid-staten gevestigde spoorweg-

Staatsblad 1998 374 1

ondernemingen, dat ten doel heeft het leveren van diensten op het gebied van internationaal vervoer tussen lid-staten; c. spoorweginfrastructuur: spoorweginfrastructuur als bedoeld in bijlage I onderdeel A van Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Europese Commissie van 18 december 1970 (Pb L 278) met dien verstande dat onder «dienstgebouwen» niet wordt begrepen: het aandeel in de installaties voor het innen van de vervoerkosten; d. beheer van spoorweginfrastructuur: totstandbrenging en onderhoud van spoorweginfrastructuur, daaronder begrepen de regelings- en veiligheidssystemen; e. beheerder: de krachtens dit hoofdstuk met het beheer van spoorweginfrastructuur belaste instantie; f. toewijzing: het beschikbaarstellen van spoorweginfrastructuur door de daartoe krachtens dit hoofdstuk bevoegde instantie ten behoeve van de vervoerdiensten, bedoeld in artikel 29, eerste tot en met derde lid; g. verkeersleiding: de zorg voor een ongestoorde uitvoering van alle afzonderlijke toewijzingsbesluiten en, wanneer dit door calamiteiten of andere onvoorziene omstandigheden niet mogelijk blijkt, het bevorderen van een zo spoedig mogelijk herstel daarvan; h. richtlijn 95/18: richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (Pb L 143); i. richtlijn 95/19: richtlijn nr. 95/19/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van gebruiksrechten voor de infrastructuur (Pb L 143); j. lid-staat: een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; k. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 2. Wat betreft de spoorweginfrastructuur waarop de concessie, verleend ingevolge artikel 6 van de wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf (Stb. 520) betrekking heeft, zijn de volgende instanties belast met de daarbij genoemde taken: a. NS Railinfrabeheer B.V., gevestigd te Utrecht: beheer van spoorweginfrastructuur, b. Railned B.V. , gevestigd te Utrecht: toewijzing, en c. NS Verkeersleiding B.V., gevestigd te Utrecht: verkeersleiding. 3. Wat betreft spoorweginfrastructuur die krachtens eigendom of enig ander zakelijk dan wel persoonlijk recht bij de Staat berust treedt Onze Minister dan wel een door hem aangewezen rechtspersoon op als beheerder, toewijzende instantie en instantie belast met de verkeersleiding. 4. Wat betreft andere spoorweginfrastructuur dan bedoeld in het tweede en derde lid, is de houder van de concessie tot de uitoefening van de dienst op die infrastructuur beheerder en treedt als toewijzende instantie respectievelijk als instantie, belast met de verkeersleiding de door Onze Minister aangewezen rechtspersoon op. 5. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op spoorwegondernemingen waarvan de activiteiten zich beperken tot stads- en streekvervoer.

§ 2. Toegangs- en doorvoerrechten

Artikel 29
  1. Internationale samenwerkingsverbanden waaraan een in Nederland gevestigde spoorwegonderneming deelneemt hebben rechten van toegang en doorvoer op de spoorweginfrastructuur ten behoeve van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en reizigers. 2. Internationale samenwerkingsverbanden waarvan de deelnemende

Staatsblad 1998 374 2

spoorwegondernemingen gevestigd zijn in andere lidstaten dan Nederland, hebben rechten van doorvoer op de spoorweginfrastructuur ten behoeve van internationale spoorwegvervoerdiensten voor goederen en reizigers tussen die lid-staten. 3. Spoorwegondernemingen die in andere lid-staten zijn of zullen worden gevestigd, hebben rechten van toegang tot de spoorweginfrastructuur ten behoeve van spoorwegvervoerdiensten in het kader van internationaal gecombineerd goederenvervoer. 4. Uitoefening van de diensten waarop de aanspraken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, betrekking hebben is, onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, uitsluitend toegestaan indien de desbetreffende spoorwegondernemingen in het bezit zijn van: a. een daartoe strekkende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2, onder b, van richtlijn 95/18, afgegeven door Onze Minister op grond van artikel 29a dan wel, wat betreft spoorwegondernemingen die in andere lid-staten zijn gevestigd, afgegeven door de bevoegde instantie van die lid-staat, en van b. een veiligheidsattest als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn 95/19 voor de desbetreffende spoorweginfrastructuur, afgegeven door Onze Minister op grond van artikel 29c. 5. De daadwerkelijke uitoefening van de diensten waarop de aanspraken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, betrekking hebben geschiedt uitsluitend: a. op voet van daartoe strekkende besluiten houdende toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit door de toewijzende instantie op grond van artikel 29e, en b. op grond van een gebruiksovereenkomst, bedoeld in artikel 29f, en c. in voorkomend geval met inachtneming...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT