Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening

Besluit van 3 juli 2020, houdende tijdelijke regels voor de toekenning van een specifieke uitkering aan gemeenten en provincies ten behoeve van innovatie in de digitale dienstverlening (Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 mei 2020, nr. 2020-0000213201; Gelet op artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet;De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2020, nr. W04.20.0132/I);Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2020, nr. 2020-0000375197; Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:hoofdaanvrager:

een gemeente of provincie die mede namens een of meer andere overheidsorganisaties een aanvraag indient. Onze Minister:

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 2 Specifieke uitkering

Onze Minister kan op aanvraag aan een gemeente of provincie een specifieke uitkering verstrekken, ten behoeve van een activiteit die gericht is op de doorontwikkeling van de generieke digitale infrastructuur, of op innovatie binnen de digitale overheid, ter verbetering van de digitale dienstverlening aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Onze Minister beslist niet op de aanvraag voor een specifieke uitkering, dan nadat advies is ingewonnen van de commissie, genoemd in artikel 6.

Artikel 3 Uitkeringsplafond

Onze Minister stelt jaarlijks vast tot welk bedrag ten hoogste verplichtingen kunnen worden aangegaan voor het verstrekken van specifieke uitkeringen.

Artikel 4 Aanvraag
  1. Een hoofdaanvrager kan een aanvraag voor een specifieke uitkering indienen bij Onze Minister. 2. Een aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de namen van de overheidsorganisaties namens wie de aanvraag mede is ingediend; b. een plan van aanpak; en c. een begroting van de te ondernemen activiteit. 3. Het plan van aanpak omvat: a. een beschrijving van de te ondernemen activiteit; b. een beschrijving van de betrokkenheid van elk van de gemeenten of provincies bij de activiteit; c. de doelstelling van de activiteit; d. de te verwachten resultaten van de activiteit; e. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door Onze Minister ter beschikking gesteld formulier. 5. De aanvraag wordt ingediend vóór 1 april van een kalenderjaar.

Artikel 5 Beoordeling van aanvragen
  1. De aanvragen worden gerangschikt op basis van de navolgende criteria: a. de mate waarin de activiteit en het doel van de aanvraag innovatief zijn en bijdragen aan het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen; b. de manier waarop de doelgroep van de dienstverlening blijkens het plan van aanpak wordt betrokken bij de uitvoering van de activiteit; c. indien het probleemgebied verband houdt met een levensgebeurtenis: de wijze waarop het doel, de activiteit en de aanvragers georganiseerd zijn rondom die levensgebeurtenis; d. de te verwachten uitvoerbaarheid van de activiteit; e. de mate waarin de activiteit herbruikbaar en schaalbaar is voor andere overheidsorganisaties; en f. indien van toepassing: de mate waarin Onze Minister verwacht dat de resultaten van de activiteit na afronding van de uitvoering doorontwikkeld en onderhouden zullen worden. 2. Bij het opstellen van een rangschikking als bedoeld in het eerste lid kan rekening worden houden met: a. regionale spreiding; b. de samenstelling van de groep aanvragers; of c. het type activiteiten waarvoor een uitkering wordt aangevraagd.

Artikel 6 Selectiecommissie
  1. Er is een selectiecommissie die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren over het te nemen besluit op een aanvraag als bedoeld in artikel 2. 2. De commissie bestaat uit minimaal vijf en maximaal negen leden, waarvan er een voorzitter is. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien. 5. Op de commissie zijn de bepalingen uit afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Werkwijze selectiecommissie
  1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De commissie kan de indiener van de aanvraag om een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2 om nadere informatie verzoeken omtrent de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens.

Artikel 8 Besluit tot verlening
  1. Het besluit tot verlening vermeldt in ieder geval het bedrag van de te verlenen specifieke uitkering dat ten hoogste zal worden verleend. 2. Een specifieke uitkering ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat in die begroting voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 3. Aan een uitkering kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 9 Besluit tot weigering

De aanvraag voor een uitkering wordt afgewezen, indien:a. de aanvraag niet mede namens een of meer andere overheidsorganisaties is ingediend; b. de activiteit waarvoor een uitkering wordt aangevraagd geen activiteit is in de zin van artikel 2 van dit besluit; c. Onze Minister het onaannemelijk acht dat de activiteit binnen een jaar kan worden voltooid; d. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder specifieke uitkering zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd; e. de aanvraag onvoldoende informatie bevat om deze te beoordelen; f. door verlening van de uitkering het uitkeringsplafond zou worden overschreden.

Artikel 10 Voorschot

Onze Minister verstrekt de hoofdaanvrager een voorschot van 80% van de specifieke uitkering.

Artikel 11 Coördinatie

De hoofdaanvrager coördineert:a. de uitvoering van het plan van aanpak, waaronder de verdeling van middelen en de rapportage aan Onze Minister over de voortgang van de uitvoering van de activiteiten en de besteding van middelen; b. de verantwoording van de besteding van de specifieke uitkering met het oog op de vaststelling; c. de evaluatie van de effectiviteit van de besteding van de gelden, bedoeld in artikel 15.

Artikel 12 Verplichtingen van de ontvanger van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT