Uitspraak Nº 02/225779-20. Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2020-12-31

CourtRechtbank Zeeland-West-Brabant (Neederland)
Docket Number02/225779-20
ECLIECLI:NL:RBZWB:2020:6800
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/225779-20

vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres verdachte] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht, 3313 LC Dordrecht, Kerkeplaat 25,

raadsman mr. B.C.M. Sprenger, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 december 2020. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie

mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij [winkel 1] gevestigd aan [adres] in Terneuzen trainingsbroeken en T-shirts heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Er is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Indien de rechtbank daar anders over denkt, zou hierop geen bewijsuitsluiting moeten volgen, maar zou moeten worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een vormverzuim, namelijk schending van het recht op consultatie- en verhoorbijstand. Verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, namelijk een zeer ernstige inbreuk op het recht op consultatie- en verhoorbijstand. Het is vaste rechtspraak dat schending van het recht op consultatie- en verhoorbijstand moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van verdachte die hierna zijn afgelegd. De verklaring van verdachte en de daarbij komende vondst van kleding zijn onrechtmatig verkregen en moeten van het bewijs worden uitgesloten. Ook de doorzoeking van de tas zonder toestemming van verdachte betreft een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Bij deze stand van zaken is het bewijs onvoldoende om tot een

bewezenverklaring te komen. Er is dan namelijk slechts een aangifte en dus onvoldoende wettig bewijs. Deze aangifte is ook onbetrouwbaar. Bovendien is een alternatief scenario dat er al goederen in de tas zaten. Verdachte moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Vormverzuimen

De rechtbank moet beoordelen of sprake is van vormverzuimen zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarvoor is naar vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een geschonden norm, die een belang van verdachte beoogt te beschermen. Die schending moet onherstelbaar zijn en verdachte moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Bij de beoordeling welk rechtsgevolg aan dat vormverzuim moet worden verbonden, weegt de rechtbank vervolgens het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het nadeel dat daardoor voor verdachte is veroorzaakt en de overige omstandigheden van het geval. Mogelijke (rechts)gevolgen zijn - naast uitsluiting van het bewijs - strafvermindering, of de enkele constatering van het verzuim.

Consultatie- en verhoorbijstand

Verdachte is op 7 september 2020 aangehouden voor winkeldiefstal door verbalisant [verbalisant] . Uit het door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat hij verdachte heeft gewezen op zijn recht op bijstand door een advocaat en heeft gevraagd of verdachte dit begreep. Verdachte heeft hierop gezegd dat hij dit begreep. Vervolgens heeft de verbalisant aan verdachte gevraagd of hij gestolen goederen bij zich had. Hierop heeft verdachte geantwoord dat deze in zijn tas zaten.

De rechtbank stelt vast dat de verbalisant na aanhouding van verdachte aan verdachte een vraag heeft gesteld die betrekking heeft op zijn mogelijke betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Er was naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een verhoor. Een aangehouden verdachte heeft het recht op aanwezigheid en bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor door de politie. Een verdachte kan uitdrukkelijk, dan wel stilzwijgend, maar in elk geval ondubbelzinnig afstand doen van dat recht. In dit geval heeft verdachte gezegd dat hij begreep recht te hebben op een advocaat, maar niet blijkt dat hij van dit recht ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Dit brengt met zich dat, doordat verdachte niet de gelegenheid is geboden om zich bij zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een advocaat het consultatierecht is geschonden en daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend, is het belang van rechtsbescherming voor een verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een ernstig verzuim, aangezien het recht op consultatie- en verhoorbijstand het belang van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM beoogt te waarborgen. De volgende vraag is welk nadeel verdachte door deze gang van zaken heeft geleden. Verdachte heeft voorafgaand aan de door hem afgelegde verklaring geen raadsman geconsulteerd en hierdoor de consequenties van zijn verklaring niet kunnen overzien. Het recht op een eerlijk proces is daardoor geschonden.

Het is vaste rechtspraak dat schending van het recht op consultatie- en verhoorbijstand in de regel moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT