Uitspraak Nº 03-242219-18. Rechtbank Limburg, 2019-04-10

Court:
Docket Number:03-242219-18
ECLI:ECLI:NL:RBLIM:2019:3312
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03-242219-18 en 03-721746-15 (TUL)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J. Serrarens, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 maart 2019. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.1

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte

feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, feit 11, feit 12, feit 13, feit 17, feit 18: telkens een persoon heeft opgelicht;

feit 9 en feit 15: heeft geprobeerd een persoon op te lichten.

Aanvullende beschuldigingen

De officier van justitie beschuldigt verdachte ook nog van het plegen van een zevental andere oplichtingen (zie bijlage). Hierbij gebruikte verdachte dezelfde werkwijze. Deze feiten zijn “ad informandum” gevoegd. Als verdachte deze feiten heeft bekend én aan hem een straf wordt opgelegd, kan de rechtbank bij het opleggen van die straf (ook) rekening houden met deze feiten.

3 De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Afgezien van feit 15, baseert hij zich voor alle feiten op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de processen-verbaal van aangifte van de slachtoffers.

De verdachte heeft ontkend het tenlastegelegde onder feit 15 te hebben gepleegd. Hoewel het procesdossier voor een bewezenverklaring van feit 15 alleen het proces-verbaal van aangifte bevat, komt de officier van justitie toch tot een bewezenverklaring voor dat feit. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15-11-2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600 over schakelbewijs in een zaak over babbeltrucs. De officier van justitie wijst voor het bewijs van dit feit op het bewijs voor de andere tenlastegelegde feiten. Hij is van mening dat hieruit kan worden afgeleid dat verdachte zich ook schuldig gemaakt heeft aan feit 15 nu bij alle feiten de pleger van die feiten gebruik heeft gemaakt van dezelfde soort babbeltruc.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten, met uitzondering van feit 15, bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 15 heeft zij gesteld dat er weliswaar voldoende wettig bewijs is, maar dat dit bewijs niet overtuigend is. De verdachte heeft immers alle feiten bekend, behalve dit feit. Dat doet haar vermoeden dat de verdachte oprecht is in zijn ontkenning. De verdachte is wel in het café geweest die dag en heeft daar getelefoneerd, maar hij heeft niet om geld gevraagd met de bedoeling om iemand op te lichten. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte bij gebrek aan overtuiging van feit 15 vrij te spreken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 2

De rechtbank zal ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, feit 9, feit 11, feit 12, feit 13, feit 17 en feit 18 volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte deze tenlastegelegde feiten ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

De rechtbank merkt daarbij op dat de feiten op de tenlastelegging niet volledig doorgenummerd zijn. De rechtbank zal hieronder de benummering van de feiten in de tenlastelegging hanteren.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft opgelicht op 29 juli 2018 te Vaals, gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] op 31 juli 20183;

- proces-verbaal van bevindingen over de achtergelaten zorgpas4;

- de bekennende verklaring van de verdachte5.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft opgelicht op 29 september 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 2] namens [slachtoffer 2] op 20 november 20186;

- de bekennende verklaring van de verdachte7.

Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] Meezenbroekerweg heeft opgelicht op 9 oktober 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] Meezenbroekerweg te Heerlen op 9 oktober 20188;

- de bekennende verklaring van de verdachte9.

Feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 4] heeft opgelicht op 11 oktober 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte [slachtoffer 4] te Heerlen op 14 november 201810;

- de bekennende verklaring van de verdachte11.

Feit 9

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 5] heeft geprobeerd op te lichten op 8 november 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte [slachtoffer 5] op 16 november 201812;

- proces-verbaal van bevindingen camerabeelden13;

- processen-verbaal van herkenning van [verdachte]14;

- de bekennende verklaring van de verdachte15.

Feit 11

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 6] heeft opgelicht op 10 november 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 6] op 13 november 201816;

- de bekennende verklaring van de verdachte17.

Feit 12

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 7] heeft opgelicht op 10 november 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 7] op 17 november 201818;

- de bekennende verklaring van de verdachte19.

Feit 13

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 8] heeft opgelicht op 11 november 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 8] op 11 november 201820;

- de bekennende verklaring van de verdachte21.

Feit 17

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 9] heeft opgelicht op 22 november 2018 te Nuth, gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 9] op 19 november 201822;

- de bekennende verklaring van de verdachte23.

Feit 18

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 10] heeft opgelicht op 2 oktober 2018 te Heerlen , gelet op:

- proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 10] op 30 november 201824;

- de bekennende verklaring van de verdachte25.

Feit 15

Door [aangever] , eigenaar van café [naam café] gelegen in Heerlen , is aangifte gedaan van poging tot oplichting. Hij heeft verklaard dat er op 22 november 2018 een man bij hem de zaak in kwam lopen die vroeg of hij even gebruik mocht maken van een telefoon aangezien zijn auto was gestolen en hij zijn moeder wilde bellen. [aangever] liet hem daarop gebruikmaken van zijn telefoon. Aan de telefoon zei de man dat hij geld wilde lenen van zijn moeder voor een taxi, omdat hij naar Geleen moest om zijn nieuwe arbeidscontract te ondertekenen. Tijdens dit gesprek liet de man aan [aangever] weten dat het anderhalf uur ging duren voordat zijn moeder aanwezig zou zijn. De man beëindigde het gesprek en vroeg aan [aangever] of hij hem € 20,00 wilde lenen. Zijn moeder zou dan het geld terugbetalen. [aangever] heeft de man geen geld gegeven. Naderhand zag [aangever] dat er geen uitgaande oproep is gedaan met zijn telefoon.26

De verdachte heeft verklaard dat hij die dag in het café [naam café] is geweest en daar gebruik heeft gemaakt van de telefoon.27 Hij ontkent dat hij de aangever heeft geprobeerd op te lichten.

De rechtbank merkt op dat het procesdossier, wat dit feit betreft, enkel de aangifte bevat. Ingevolge artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van een getuige. Er zal meer moeten bijkomen om het bewijsminimum te behalen. Dat meerdere zou kunnen worden gevonden in steunbewijs, in de vorm van zogenoemd schakelbewijs. Bij schakelbewijs gaat het er, kort gezegd, om dat de feiten en omstandigheden die met betrekking tot een strafbaar feit blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn vastgesteld, steun bieden voor de conclusie dat de verdachte een ander strafbaar feit (ook zo) heeft begaan. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen in de hiervoor bewezenverklaarde feiten concludeert de rechtbank dat de verdachte in essentie telkens dezelfde werkwijze hanteert. Deze komt erop neer dat de verdachte bij een willekeurig persoon of bedrijf aan de deur langsgaat, vertelt dat hij een probleem heeft – in de meeste gevallen gaat het om een auto-ongeluk – en hij graag gebruik wil maken van een telefoon. Vervolgens houdt hij een fictief telefoongesprek waarin hij laat blijken snel geld nodig te hebben om zijn probleem op te lossen. Vervolgens doet hij die willekeurige persoon denken dat het benodigde geld niet meteen kan worden gebracht en vraagt hij aan die persoon om hem een paar tientjes te lenen. Het gaat bij de andere tenlastegelegde feiten om bedragen variërend van € 35 tot € 85,-. Hij belooft ten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT