Uitspraak Nº 03/700174-17. Rechtbank Limburg, 2018-06-22

Court:
Docket Number:03/700174-17
ECLI:ECLI:NL:RBLIM:2018:5958
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700174-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juni 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] 1 ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat kantoorhoudende te Brunssum.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op

7 mei 2017 [slachtoffer] :

(primair) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, dan wel

(subsidiair) opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem met een mes in het lichaam te steken, waarna hij hem heeft beroofd van zijn taxi, portemonnee(s) en/of zijn telefoon, dan wel

(meer subsidiair) opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem met een mes in het lichaam te steken.

3 De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte [slachtoffer] ook met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, zodat hij van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde bewezen. Hij heeft zijn oordeel gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    het letsel dat blijkens het autopsierapport met een mes aan het slachtoffer is toegebracht, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden; het letsel bestond uit acht steekwonden in de voorzijde van de borstkas, drie steekwonden liepen door tot diep in de borstkas, twee daarvan zijn volledig doorgedrongen tot in de rechterlong en zijn de grootste oorzaak van het dodelijke bloedverlies, en vier steekwonden in de rug;

  • -

    de bloedsporen in en rond de taxi, op grond waarvan aannemelijk is dat de steekwonden in de taxi zijn toegebracht toen het slachtoffer op of nabij de bestuurdersstoel zat en degene die stak, zijnde de verdachte, achter hem zat;

  • -

    bloedsporen buiten de taxi, bij de poort behorende bij het adres Oude Kerk [huisnummer] te Spaubeek; deze bloedsporen wijzen er op dat het slachtoffer bij de poort in de rug is gestoken; uit het autopsierapport is gebleken dat de steken in de rug vermoedelijk nà de steken in de borst zijn toegebracht;

  • -

    nadat de taxi voor de tweede maal bij Oude Kerk te Spaubeek is aangekomen en daar enkele minuten heeft stilgestaan, is de verdachte als bestuurder van de taxi weggereden met in de auto het mes en het lichaam van het slachtoffer; het mes is later aangetroffen in Catsop en daarna door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht: er is een DNA-mengprofiel op aangetroffen met DNA van het slachtoffer én van de verdachte;

  • -

    het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer op een bospad in Isenbruch (D.) en de verklaring van de verdachte dat hij het lichaam op deze plek heeft achtergelaten;

  • -

    de verklaring van de verdachte dat hij nadat hij het lichaam in Isenbruch (D.) heeft gelegd, met de taxi en de zich daarin bevindende goederen is weggereden; de taxi is wegens gebrek aan brandstof bij Zoetermeer tot stilstand gekomen en de verdachte is vervolgens bij de taxi weggelopen; nadat hij is aangehouden zijn in zijn looprichting vanaf de taxi tot aan de plaats van de aanhouding onder meer twee beurzen, klaarblijkelijk toebehorende aan het slachtoffer, aangetroffen;

  • -

    de verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon van het slachtoffer heeft meegenomen;

De officier van justitie concludeert dat de beroving was gepland, hetgeen blijkt uit de onzinnige redenen die de verdachte heeft opgegeven voor het feit dat hij midden in de nacht een taxi neemt. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte gezocht naar een geschikt slachtoffer. Hij had een mes bij zich en heeft de chauffeur gedwongen naar een afgelegen plek te rijden, waar hij ongestoord zijn gang kon gaan.

De officier van justitie acht de verdachte niet geloofwaardig, omdat er in zijn verklaringen veel inconsistenties voorkomen.

Verder is de officier van justitie van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Er is niet gebleken van een ogenblikkelijke aanranding van zijn lijf, eerbaarheid of goed. De details uit de verklaringen, zoals daaromtrent door de verdachte afgelegd, verdragen zich niet met diverse bevindingen op grond van onderzoek aan forensische sporen. De door de verdachte gegeven verklaringen zijn daarom niet aannemelijk.

Het beroep op noodweer van de verdachte kan voorts niet slagen vanwege de inhoud van de verklaringen, die door de verdachte zijn afgelegd. De verdachte heeft pas in het derde verhoor verteld dat hij heeft gehandeld uit noodweer. Tijdens het eerste en tweede verhoor heeft hij verklaard dat de taxi, waarin hij als passagier meereed, ter hoogte van Beek was klemgereden door drie Russen. Deze Russen zouden de chauffeur hebben meegenomen, waarop de verdachte in paniek met de taxi zou zijn weggereden. Indien er zich werkelijk een noodweersituatie zou hebben voorgedaan, had het voor de hand gelegen daarvan onmiddellijk al bij het eerste verhoor gewag te doen maken. Tot slot: zelfs indien het door de verdachte uiteindelijk geschetste scenario wordt geaccepteerd, komt hem een beroep op noodweer nog niet toe: op diverse momenten is hij in de gelegenheid geweest om uit de taxi te stappen, zodat hij aan het gevaar, waar hij volgens zijn zeggen aan was blootgesteld, kon ontkomen; daarvoor was het dus niet nodig om het slachtoffer van het leven te beroven.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verwezen naar de inhoud van de verklaringen van de verdachte en naar de reconstructie die werd gehouden. Daaruit blijkt - kort gezegd - het navolgende: de verdachte heeft op 7 mei 2017 aan meerdere taxichauffeurs gevraagd naar de prijs voor een rit vanaf de Boschstraat in Maastricht tot in de gemeente Beek. De verdachte is een prijs overeengekomen met de taxichauffeur. Tijdens de rit is tussen de verdachte en de taxichauffeur onenigheid ontstaan over die prijs. Na een rondrit door de omgeving, komen de verdachte en de taxichauffeur uiteindelijk voor de tweede maal terecht in Spaubeek. De verdachte heeft geen idee waarom de chauffeur precies daarheen is gereden. Op deze plek ontstaat opnieuw ruzie over het door de verdachte te betalen bedrag. De verdachte trachtte de ruzie te sussen, juist omdat hij gezien zijn reputatie met taxi’s verwachtte anders in problemen te komen. De taxichauffeur viel hem aan door met een hand/arm tegen zijn strottenhoofd te duwen en met een mes te dreigen, waarop een worsteling ontstond. De verdachte raakte in paniek. Hij heeft het mes van de taxichauffeur afgepakt. Hij zag geen andere uitweg en stak de taxichauffeur meerdere malen. Daarna vluchtte hij uit de taxi. Hij zag in een ooghoek dat de taxichauffeur op hem toekwam. Deze liep echter door en de verdachte hoorde een plof. Daarna stapte de verdachte in de taxi, startte deze en hoorde vlak voordat hij wilde wegrijden dat de taxichauffeur in de taxi stapte. Toen reed de verdachte weg. Hij besloot het mes weg te gooien en het slachtoffer in een bosrijk gebied achter te laten.

Later op de dag is de verdachte door de politie aangetroffen. Hij had bloedvlekken op zijn gezicht, zijn handen en zijn kleding. Ook de auto waar hij uitgestapt was, zat onder het bloed. De verdachte kwam verward/afwezig over. De hiaten in de verklaringen van de verdachte kunnen worden verklaard door de verwarde toestand waarin hij destijds verkeerde en door de heftige gebeurtenissen die hij had meegemaakt.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het slachtoffer geoefend is in een vechtsport.

In de auto is door de politie een klapmes aangetroffen. [broer 1] (de broer van het slachtoffer), die verklaarde dat hij de auto de dag voor het voorval nog heeft gecontroleerd op zoek naar dat klapmes, maar toen geen mes in de auto heeft aangetroffen, is aldus niet geloofwaardig. De raadsman verbindt hier de conclusie aan dat de verdachte, waar hij verklaart dat het mes niet door hem werd meegebracht, niet als ongeloofwaardig kan worden weggezet.

De raadsman concludeert dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu niet is gebleken dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, althans noodweerexces. Ten gevolge van voormelde worsteling ontstond een voor de verdachte bedreigende situatie, waarbij het latere slachtoffer hem bedreigde met een mes en waardoor de verdachte meende dat zijn leven in gevaar was. De verdachte moest zich verdedigen tegen deze ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam. De verdachte kon zich niet aan het gevaar onttrekken doordat deze worsteling ontstond in de kleine ruimte van de taxi. Hij kon niet ontsnappen. Hij heeft zich verdedigd door het slachtoffer met het mes te steken.

Door de bedreiging met het mes kwam de verdachte in een directe doodsangst te verkeren. Naar het oordeel van de raadsman is er een evenwicht in de verhouding tussen de ernst van het gevaar voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lichaam van de verdachte...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT