Uitspraak Nº 03/995005-12. Rechtbank Limburg, 2018-09-04

Datum uitspraak: 4 september 2018
Uitgevende instantie::Rechtbank Limburg
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/995005-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.H. Römkens, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 21 augustus 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (bijlage I).

De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen een factuur, brieven, een Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten en een schriftelijke volmacht heeft vervalst;

feit 2: samen met een ander of anderen als bestuurder van SGL geldbedragen en/of paarden, kunstvoorwerpen, horloges, onroerende goederen, audiovisuele apparatuur en fitnessapparatuur voor in totaal € 1.659.530,- heeft verduisterd van SGL;

feit 3: samen met een ander of anderen de Raad van Toezicht van SGL heeft opgelicht voor in totaal € 179.301,-;

feit 4: als feitelijk leidinggevende van [naam BV] samen met een medeverdachte, die manager back office en/of bedrijfsdirecteur van [naam BV] was, geldbedragen en/of paarden, loon werknemer en onroerende goederen voor in totaal € 235.023,- heeft verduisterd van [naam BV] .

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de onderdelen van de tenlastelegging aan de hand van een behandelschema besproken, welk behandelschema aan dit vonnis is gehecht (bijlage II).

De rechtbank zal in dit vonnis dezelfde volgorde aanhouden bij de bespreking van de onderdelen van de tenlastelegging, met uitzondering van feitonderdeel 26.

3 De voorvragen
3.1

Het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi primair verzocht om nadere onderzoekshandelingen om de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) in de gelegenheid te stellen de onjuiste conclusies van de Belastingdienst en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) te weerleggen. Het onderzoek getuigt van vooringenomenheid. De FIOD en het Openbaar ministerie (OM) borduren voort op onjuiste conclusies van de Belastingdienst die nergens op zijn gebaseerd. Feitenonderzoek vindt niet plaats. Ontlastend materiaal wordt niet aan het dossier toegevoegd. Aan getuigen worden onjuiste conclusies voorgelegd. De verdediging moet toegang krijgen tot het digitale FIOD-dossier, de stukken die zien op de samenwerking tussen de Belastingdienst en de FIOD, de onderliggende, nog ontbrekende stukken van het KPMG-onderzoek, de zorginkoopdossiers van de jaren 2002-2010, de managementletters van de externe accountant met betrekking tot de jaren 2002-2010 en het gehele archief van de Raad van Toezicht (RvT) van Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) over de periode 2002 -2010. De verdediging wil iedereen die betrokkenheid heeft gehad in de aanloop naar het onderzoek door de FIOD (opnieuw) horen. De door de verdediging eerder opgegeven getuigen moeten (opnieuw) worden gehoord en geconfronteerd met de juiste stukken en RvT-besluiten. Tot slot heeft de verdediging aangegeven dat zij inzage wil in de administraties van [getuige 3] en [getuige 8] . Het nader onderzoek is noodzakelijk voor de oordeelsvorming van de rechtbank over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, het bewijs van het ten laste gelegde en de strafmaat.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet‑ontvankelijk moet worden verklaard omdat (a) sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en (b) de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd zodanige gebreken kent dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden, waarbij de verdediging heeft verwezen naar de onderbouwing van de door de verdediging noodzakelijke geachte nadere onderzoekshandelingen.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM kan worden ontvangen in de vervolging van [verdachte] . Van grove vormverzuimen en/of grove schending van andere processuele beginselen is geen sprake. Een overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De verdediging verzuimt (opnieuw) aan te geven wat de relevantie is van de door haar verzochte nadere onderzoekshandelingen voor de door de rechtbank te nemen beslissingen op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft eerder in de procedure reeds korte metten gemaakt met het standpunt van de verdediging dat de aanvang van het onderzoek niet zou deugen. De verdediging is bezig met een zogenoemde ‘fishing expedition’. Het aanhoudingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.

3.1.3

De beoordeling door de rechtbank

Inleiding

Verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen en/of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zijn door de verdediging reeds meermalen gedaan met in essentie telkens dezelfde onderbouwing. Voor de beoordeling van het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie zal eerst het verloop van het onderzoek worden geschetst. Daarna zullen de beslissingen worden weergegeven die de rechtbank daarover al eerder heeft genomen. Vervolgens zullen de verzoeken in het licht van die eerder genomen beslissingen worden beoordeeld. Om misverstanden te voorkomen, wordt opgemerkt dat met het digitale FIOD-dossier wordt gedoeld op de digitale data die zijn verkregen bij de doorzoekingen op 4 juli 2012 en de daarop volgende vorderingen tot uitlevering. Onder meer bij SGL zijn digitale data (images van computers en netwerkdirectories) in beslag genomen. Aan deze data is onderzoek verricht door de FIOD. In de dataverzamelingen aangetroffen bewijsmiddelen zijn verwerkt in de processen-verbaal van de FIOD.

Verloop van het onderzoek en eerder genomen beslissingen

Het FIOD-onderzoek en het vooronderzoek door de rechter-commissaris

In oktober 2011 is de FIOD een onderzoek gestart naar verdachten. Op 4 juli 2012 hebben in het kader van dit onderzoek op meerdere plaatsen doorzoekingen plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte] is in juli 2012 aangehouden en verhoord. [verdachte] is in november 2013 aangehouden en verhoord. De onderzoeksresultaten van de FIOD zijn geverbaliseerd in het dossier dat is gesloten op 14 oktober 2014. Een zevental personen heeft tegenover de FIOD geen verklaring willen afleggen. Vier van hen – de heren [naam 38] , [naam 39] , [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , allen werkzaam bij de externe accountant van SGL in de desbetreffende periode – zijn in de maanden november, december 2014 en januari 2015 in opdracht van de rechter-commissaris alsnog door de FIOD gehoord. Twee voormalige leden van de Raad van Toezicht van SGL, de heren [naam 27] en [naam 40] , en de heer [naam oprichter] , bestuurder van de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ) in de desbetreffende periode, wilden enkel ten overstaan van de rechter-commissaris getuigen. Deze verhoren hebben plaatsgevonden in maart 2015.

Vervolgens is op initiatief van de officier van justitie regie gevoerd door de rechter-commissaris. De verdediging heeft een groot aantal onderzoekswensen geformuleerd bestaande uit het voegen van stukken en het horen van getuigen. De rechter-commissaris heeft een deel van die verzoeken toegewezen. Na voltooiing van de door de rechter‑commissaris toegewezen onderzoekshandelingen zijn de verdachten gedagvaard.

De regiezitting van 6, 8 en 10 november 2017

De verdachte heeft voor de zitting schriftelijk laten weten alle verzoeken die tijdens het vooronderzoek door de verdediging aan de rechter-commissaris zijn gedaan en zijn geweigerd opnieuw aan de rechtbank voor te leggen. Op de regiezitting heeft de verdediging de verzoeken nader toegelicht. Primair heeft de verdediging op basis van de aangedragen argumenten de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. De officier van justitie heeft zich daartegen verzet.

De beslissing van de rechtbank van 10 november 2017 over de ontvankelijkheid van het OM

Op de zitting van 10 november 2017 is als volgt beslist op het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie1:

Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring berust kort samengevat in de woorden van de rechtbank op het argument dat de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, zodanige gebreken kent dat het recht op een eerlijk proces geschonden is. Dat komt volgens [verdachte] door het volgende:

  1. In de aanvang van het onderzoek heeft de FIOD de Belastingdienst aangestuurd;

  2. Daardoor had het boekenonderzoek van de Belastingdienst dat formeel gericht was op de [naam stichting 1] (verder: [naam stichting 1] ) en [naam BV] (verder: [naam BV] ) alleen maar tot doel verdachte te kunnen belasten;

  3. Daardoor was de controlerend ambtenaar bevooroordeeld en stond de uitkomst van het belastingonderzoek bij [naam BV] al vast voordat het onderzoek begon;

  4. In het belastingonderzoek van [naam...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT