Uitspraak Nº 04/990004-12. Rechtbank Limburg, 2016-11-10

ECLIECLI:NL:RBLIM:2016:9615
Date10 Noviembre 2016
Docket Number04/990004-12
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 04/990004-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2016

in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

gevestigd [Adres vestiging] ,

postadres: [Postadres]

ter terechtzitting vertegenwoordigd door [Hoofdverdachte] , geboren [Geboortegegevens] , wonende [Adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.A.W. Nillesen, advocaat kantoorhoudende te

's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016,

22 september 2016 en 23 september 2016. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 28 oktober 2016.

De raadsman en [Hoofdverdachte] , de rechtspersoon vertegenwoordigend, zijn op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016, 22 september 2016 en 23 september 2016 verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zich samen met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel (in de vorm van arbeidsuitbuiting) van 16 Poolse champignonpluksters;

Feit 2: samen met een ander of anderen meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd ter zake van een aantal salarisspecificaties van Poolse medewerksters;

Feit 3: samen met een ander of anderen meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd ter zake van (delen van) de bedrijfsadministratie van [Verdachte] en/of [Verdachte] .

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld - zoals vervat in het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir met bijlagen - dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zake van alle tenlastegelegde feiten de vrijspraak van de verdachte bepleit.

Ter zake van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake was van uitbuiting. De geselecteerde getuigenverklaringen betreffen generaliserende negatieve uitlatingen en geven daarmee een vertekend beeld over de verdachte. De werkomstandigheden van de pluksters waren goed, de duur van de werkweek was niet standaard te lang en er heeft geen onderbetaling plaatsgevonden. Indien de rechtbank bewezen acht dat er soms langer dan 8 uur per dag werd gewerkt, dan compenseren volgens de raadsman de andere factoren dermate dat er geen sprake was van mensenrechtenschendingen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de Poolse champignonpluksters zich in een kwetsbare positie bevonden, alsook dat de verdachte deze door dwang, fraude, misleiding of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht werknemers heeft geworven, vervoerd of gehuisvest. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de werkdagen niet dermate lang waren zoals de pluksters beweren en dat de arbeidsomstandigheden naar behoren waren. Ondanks de afroommodules is er nooit minder betaald dan wettelijk voorgeschreven, zijnde 40 uur per week op basis van het minimumloon. De verdachte heeft een integer beleid gevoerd met betrekking tot de aanwerving, het vervoeren en de huisvesting. De verdachte heeft evenmin voordeel getrokken uit de uitbuiting van de in de tenlastelegging genoemde personen. Uit de door de raadsman ter zitting overgelegde IPS-overzichten, afkomstig uit het tijdregistratiesysteem van ‘ [Verdachte] ’, volgt dat er geen extreem lange werkdagen werden gemaakt. Volgens de raadsman kan dit worden afgeleid uit de werktijden van de unitleidsters.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het oogmerk van de verdachte in de zin van de ‘sub 1-variant’, in welk verband de raadsman op een aantal contra-indicaties heeft gewezen. Evenmin is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte in de zin van de ‘sub 4-variant’ en de ‘sub 6-variant’.

Ter zake van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet kan worden bewezen. De gedragingen van de medeverdachte [Medeverdachte 3] pasten niet binnen de normale werkzaamheden van de rechtspersoon [Verdachte] Er was sprake van zelfstandig handelen van medeverdachte [Medeverdachte 3] . De rechtspersoon was hiervan niet op de hoogte. Om deze reden was er geen opzet op het plegen van valsheid in geschrift. Ook het voorwaardelijk opzet van de verdachte kan niet worden bewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit het procesdossier volgt dat allerlei professionele derden nooit de afroommodules hebben ontdekt, waaruit blijkt dat de kans op ontdekking van de modules niet aanmerkelijk was. Om deze reden dient de verdachte tevens van de feiten 2 en 3 te worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1

Inleiding

In onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de 16 Poolse werknemers, zoals genoemd in de tenlastelegging, door de verdachte en diens mededaders economisch zijn uitgebuit in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, sub 4 of sub 6 Sr, door het verrichten van een of meer van de in totaal 25 gedragingen jegens deze Poolse werknemers. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de tekst van de tenlastelegging, niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of grote groepen Poolse champignonpluksters door de verdachte en diens mededaders zijn uitgebuit.

Algemene overwegingen

Op 27 oktober 2009 (ECLI:HR:2009:BI0799) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen ter zake van ‘overige uitbuiting’, meer in het bijzonder: economische uitbuiting, in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De Hoge Raad heeft in dit arrest onder meer overwogen dat de vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr niet in algemene termen te beantwoorden is, maar sterk verweven is met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor een betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Partiële vrijspraak

Partiële vrijspraak ten aanzien van uitvoeringshandelingen 12, 15 en 22

De rechtbank dient zich in dit verband te buigen over de vraag of de aan de verdachte tenlastegelegde uitvoeringshandelingen, genummerd van 1 tot en met 25, voldoende relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of er in casu sprake is van economische uitbuiting. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij, gelet op de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven, de uitvoeringshandelingen genummerd 12, 15 en 22 onvoldoende relevante factoren acht bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van economische uitbuiting.

De rechtbank overweegt ter zake van de uitvoeringshandeling ad 15, te weten: (hoge) kosten, te weten 7,50 euro per dag voor huisvesting op het loon van voornoemde perso(o)n(en) ingehouden, dat deze enkel ziet op het in rekening brengen van kosten voor huisvesting. De rechtbank acht het niet relevant dat de werkgever aan de 16 genoemde Poolse werknemers dergelijke kosten in rekening brengt, dan wel of de hoogte daarvan al dan niet redelijk is, maar enkel of deze kosten een verplichtend karakter dragen. Nu onder uitvoeringshandeling ad 15 geen verplichtend karakter van deze huisvestingskosten is tenlastegelegd acht de rechtbank deze gedraging onvoldoende relevant bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van economische uitbuiting.

Ter zake van de uitvoeringshandeling ad 22, te weten: maaltijden verstrekt van onvoldoende kwaliteit, overweegt de rechtbank dat op basis van het procesdossier niet in objectieve zin kan worden vastgesteld of de door ‘ [Verdachte] ’ aangeboden maaltijden al dan niet van onvoldoende kwaliteit waren. Om deze reden is deze gedraging onvoldoende relevant bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van economische uitbuiting.

Dit betekent dat de rechtbank de verdachte partieel zal vrijspreken ter zake van de uitvoeringshandelingen die aan hem onder feit 1 onder de nummers 12, 15 en 22 zijn tenlastegelegd.

Ten aanzien van de overige tenlastegelegde uitvoeringshandelingen overweegt de rechtbank dat deze, indien bewezen, wellicht op zichzelf beschouwd niet relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van economische uitbuiting, maar dat zij in onderlinge samenhang bezien, wél indicatief zijn voor economische uitbuiting.

Partiële vrijspraak ten aanzien van aantal werkne(e)m(st)ers

De werkneemsters [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Op grond van de getuigenverklaringen van de werknemers [Slachtoffer 1] (G-002) en [slachtoffer 2] (G-003) stelt de rechtbank vast dat zij buiten de ten laste gelegde periode werkzaam waren voor ‘ [Verdachte] ’. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte ter zake van deze twee werkneemsters partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde feit.

De werkneemster [Slachtoffer 3]

Op 20 juli 2012 heeft [Slachtoffer 3] een getuigenverklaring afgelegd. Uit deze verklaring volgt dat [Slachtoffer...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT