Uitspraak Nº 04/990005-09. Rechtbank Limburg, 2019-02-18

Datum uitspraak:18 februari 2019
Uitgevende instantie::Rechtbank Limburg
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 04/990005-09

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 18 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1, 2, 8, 9, 11 en 30 oktober 2018 en 19, 20 en 27 november 2018. Het onderzoek ter terechtzitting is op 4 februari 2019 gesloten.

De verdachte en de raadslieden zijn (in wisselende samenstelling) verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feiten 1, 3 en 5: al dan niet opzettelijk samen met een ander of anderen een hoeveelheid turbineonderdelen heeft uitgevoerd dan wel heeft doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling van een gewijzigde bestemming en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling aan de autoriteiten die besluiten of een vergunning vereist is;

Feiten 2 en 4: al dan niet opzettelijk samen met een ander of anderen een hoeveelheid turbineonderdelen heeft uitgevoerd dan wel heeft doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling van een gewijzigde bestemming;

Feiten 6 tot en met 8: samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

Feiten 9 en 10: samen met een ander of anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste factuur, als ware die echt en onvervalst;

Feit 11: deel heeft genomen aan een criminele organisatie die gericht was op ongeoorloofde uitvoer van turbineonderdelen, het plegen van valsheid in geschrifte en gebruikmaking van vervalste of valse geschriften, als waren zij echt en onvervalst;

Feit 12: samen met een ander of anderen onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften heeft gedaan;

Feit 13: samen met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van geldbedragen en/of effectendepots.

3 Inleiding en de opbouw van dit vonnis

In deze strafzaak wordt de verdachte en zijn medeverdachten onder andere verweten dat zij

– kort gezegd – gasturbineonderdelen hebben uitgevoerd naar Iran, terwijl daarvoor geen vergunning was aangevraagd of verleend, dat zij daartoe gebruik hebben gemaakt van omleidingsroutes en dat zij voor het creëren van die omleidingsroutes facturen hebben vervalst of gebruik hebben gemaakt van vervalste facturen. Het ook aan de verdachte verweten lidmaatschap van een criminele organisatie ziet eveneens op het – in georganiseerd verband – plegen van deze feiten.

Het verbod om deze gasturbineonderdelen zonder vergunning uit te voeren is vastgelegd in een beschikking van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 10 februari 2009, ondertekend namens deze door de heer [getuige 1] , lid van het Management team Directie Handelsproblematiek en Globalisering. De beschikking is op 10 februari 2009 aan de toenmalige directeur van [medeverdachte 1] , mevrouw [voormalig directeur medeverdachte 1] , persoonlijk uitgereikt door de heer [getuige 2] , destijds senior beleidsmedewerker/expert bij het Ministerie van Economische zaken. De beschikking is in het dossier en gedurende de behandeling van de strafzaak steeds aangeduid als “de catch-all” en zal in dit vonnis ook zo worden genoemd.

Omdat over de rechtmatigheid en de reikwijdte van deze catch-all uitgebreid verweer is gevoerd, zal daarop in dit vonnis eerst worden ingegaan, vervolgens zal worden beoordeeld welke van de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden en waarom. Voorts zal ook worden ingegaan op hetgeen de verdachte onder 12 en 13 ten laste is gelegd, te weten het opzettelijk doen van valse belastingaangiftes en witwassen. Tot slot zal de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, het beslag en de strafoplegging behandeld worden.

Hierbij wordt de volgende indeling aangehouden:

4 De geldigheid van de catch-all beschikking 5 De reikwijdte van de catch-all 6 De beoordeling van het bewijs 7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde 8 De strafbaarheid van de verdachte 9 De straf 10 Het beslag 11 De wettelijke voorschriften 12 De beslissing
4 De geldigheid van de catch-all beschikking
4.1

Het juridisch kader

In de preambule van de Verordening (EG) nr. 1334/2000, welke verordening op 28 september 2000 in werking is getreden en per 27 augustus 2009 is vervangen door de Verordening (EG) nr. 428/2009, is neergelegd dat producten voor tweeërlei gebruik bij uitvoer uit de Europese Gemeenschap aan een doeltreffende controle dienen te worden onderworpen. Voorts is daarin overwogen dat ter naleving van de internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten, met name wat betreft de non-proliferatie, en van de Europese Unie, een doeltreffend gemeenschappelijk controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik noodzakelijk is.

De rechtbank zal voor de leesbaarheid spreken over “de Verordening”, daar de Verordening (EG) nr. 1334/2000 en de Verordening (EG) nr. 428/2009 - voor zover in deze zaak relevant - in materiële zin niet gewijzigd zijn.

Artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening luidt:

"In deze verordening wordt verstaan onder:

a. a) "producten voor tweeërlei gebruik'': “producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;"

Artikel 3 van de Verordening luidt, voor zover van belang:

"1. Voor de uitvoer van de producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I is een vergunning vereist.

2. Overeenkomstig artikel 4 of artikel 5 kan ook een vergunning worden geëist voor de uitvoer naar alle of bepaalde bestemmingen van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen."

Artikel 4, eerste lid, van de Verordening luidt:

"Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij is gevestigd, is medegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren."

Artikel 4, vijfde lid, van de Verordening luidt:

“Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, een vergunning wordt vereist indien de exporteur een gefundeerd vermoeden heeft dat de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de in lid 1 genoemde gebruiken.”

Artikel 1:4 van de Algemene douanewet luidt:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitwerking van interregionaal recht, het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.”

Artikel 3:1 van de Algemene douanewet luidt:

“Onverminderd de communautaire bepalingen ter zake kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verboden of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld, die bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.”

Artikel 4 van het Besluit Strategische Goederen luidt:

“Bij ministeriële regeling kan Onze Minister om redenen van openbare veiligheid of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod instellen op, of een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet zijn genoemd in bijlage I van verordening 1334/2000 c.q. 428/2009.”

4.2

De bevoegdheid tot het opleggen van de catch-all

De verdediging heeft aangevoerd dat de catch-all onbevoegd is genomen, nu deze namens de Staatssecretaris van Economische Zaken is ondertekend door de heer [getuige 1] , lid van het managementteam. Volgens de verdediging was de minister bevoegd en mocht deze bevoegdheid niet (onder-)gemandateerd worden.
De rechtbank zal dit verweer verwerpen. Uit het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 23 maart 2007, nr. WJZ 7029078, houdende vaststelling van de taken van de Staatssecretaris van Economische Zaken volgt dat deze in het bijzonder belast is met de handelspolitiek. Het al dan niet verplicht stellen van een uitvoervergunning, zoals in het onderhavige geval bedoeld, behoort tot de handelspolitiek. Gelet op artikel 46, tweede lid, van de Grondwet is de Staatssecretaris van Economische Zaken in dit geval opgetreden als Minister van Economische Zaken en heeft hij in die hoedanigheid zijn bevoegdheid gebezigd als bedoeld in artikel 4 van het Besluit strategische goederen. Op grond van artikel 20, eerste lid, juncto III B van het Besluit mandaat volmacht en machtiging Economische Zaken 2004 viel exportcontrolebeleid onder de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT