Uitspraak Nº 06/920003-10. Rechtbank Gelderland, 2018-09-18

Datum uitspraak:18 september 2018
Uitgevende instantie::Rechtbank Gelderland
 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 06/920003-10

Datum uitspraak : 18 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het functioneel parket

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres]

Raadsman: mr. H.O. [medeverdachte 1] , advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 januari 2014, 23 mei 2014, 24 november 2015, 21 juni 2018, 22 juni 2018 en 4 september 2018.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan:

1. (mede)plegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan (mede)plegen van oplichting;

subsidiair (mede)plegen van oplichting;

meer subsidiair (mede)plegen van feitelijk leiding geven aan (mede)plegen van verduistering;

meest subsidiair (mede)plegen van verduistering;

2A. (mede)plegen van opdracht gegeven dan wel feitelijk leiding geven aan

(mede)plegen van overtreding van artikel 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995;

subsidiair (mede)plegen van overtreding artikel 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995;

2B. (mede)plegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan medeplegen van

overtreding van artikel 5.2 van de Wet op het financieel toezicht;

subsidiair (mede)plegen van overtreding van artikel 5.2 van de Wet op het financieel

toezicht;

3A. (mede)plegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan medeplegen

van overtreding van artikel 6.1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

subsidiair (mede)plegen van overtreding van arttikel 6.1 Wet toezicht kredietwezen 1992;

3B. (mede)plegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan (mede)plegen van

overtreding van artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht;

subsidiair (mede)plegen van overtreding van artikel 2:11 van de Wet op het financieel

toezicht.

1a. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van 21 en 22 juni 2018 namens verdachte aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (verder: het OM) niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging. Er is niet alleen sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, maar ook sprake van strijd met een goede procesorde en strijd met het beginsel van een eerlijk proces. Er is bijna achtenhalf jaar verstreken sinds de eerste daad van vervolging tot de zitting van 21 juni 2018. De verdediging heeft voortdurend verzocht om onderzoek in Polen te laten verrichten hoe het door [naam 1] naar [naam 2] overgemaakte geld in Polen is besteed. Dit heeft niet plaatsgevonden omdat de Poolse autoriteiten geen medewerking zouden willen verlenen. Het OM had dit onderzoek ook ambtshalve kunnen verrichten omdat veel van de gevraagde informatie openbaar te verkrijgen is. Het is een onherstelbaar verzuim en een ernstige inbreuk op de beginselen van de goede procesorde, waardoor doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. De ernst van de verzuimen en het nadeel dat daaruit voor de verdediging voortgevloeid is, is zodanig dat de enige passende sanctie daarop niet-ontvankelijkverklaring van het OM is.

Tot slot is als verweer gevoerd dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat het in redelijkheid niet kon besluiten tot vervolging. Al in 2014 is door de verdediging gesteld dat de zaak niet in het strafrecht thuis hoort, maar in het civiele recht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, maar dat dit gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid.

De eerste handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld is de dag waarop verdachtes woning is doorzocht, namelijk op 15 februari 2010. In beginsel is, indien er een vonnis gewezen zou worden op 6 juli 2018, sprake van schending van de redelijke termijn van 6 jaren en 143 dagen. Dit dient in beginsel te worden gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf.

De stelling dat de Poolse autoriteiten geen medewerking hebben willen verlenen mist feitelijke grondslag. De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 25 juli 2016 een kopie van de tenlastelegging in de strafzaak tegen [naam 3] toegezonden, die aanhangig was bij de rechtbank te Krakau. Daarmee wordt antwoord gegeven op alle vragen zoals die door de rechtbank zijn geformuleerd in de tussenbeslissing van 24 november 2015.

Naar aanleiding van het getuigenverhoor van [naam 3] en de ontvangst van voornoemd stuk is op 13 juli 2017 door de griffier van de rechter-commissaris aan de raadslieden in het [naam 1] -onderzoek verzocht om vóór 1 september 2017 te laten weten of wat hen betreft voldoende is voldaan aan de verwijzingsopdracht/het rechtshulpverzoek richting Polen. Daarop is geen reactie ontvangen.

Het OM is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Beoordeling door de rechtbank

Strafrecht of civielrecht:

Uitgangspunt is dat het aan de officier van justitie is om binnen de hem gegeven beleidsvrijheid – daargelaten de voor rechtstreeks belanghebbenden bestaande beklagmogelijkheden van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering – te beslissen of strafvervolging al dan niet opportuun is. Slechts indien het OM in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard. Het is de rechtbank niet gebleken dat de officier van justitie – in het kader van de afweging van de betrokken belangen – in redelijkheid niet tot zijn vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte heeft kunnen komen.

Onderzoekswensen

De rechtbank heeft vastgesteld dat onderzoekswensen van de verdediging zijn doorgeleid naar de Poolse autoriteiten en deze ook deels zijn uitgevoerd zoals is verzocht. Zo zijn er getuigen gehoord en is er een brief, gedateerd 25 juli 2016, met bijlage, van de Poolse autoriteiten ontvangen. Deze bijlage ziet op de strafzaak tegen [naam 3] en zijn echtgenote in Polen. Het betreft niet alleen een verdenking jegens [naam 3] en zijn echtgenote, maar daarin zijn ook onderzoeksresultaten opgenomen die zijn vastgesteld tijdens het onderzoek dat door de Poolse autoriteiten in Polen is verricht en die ook onderdeel uitmaken van bovengenoemde onderzoekswensen.

Uit het over verdachte en de medeverdachten opgemaakte strafdossier blijkt dat er van het geld dat door [naam 1] in Nederland is opgehaald tijdens de ten laste gelegde periode een bedrag van ongeveer € 2.000.000,-- naar de Poolse vennootschap [naam 2] is overgemaakt. Dit is door geen van de verdachten betwist.

Uit de door de Poolse autoriteiten beschikbaar gestelde gegevens komt een duidelijk beeld naar voren over het functioneren van [naam 2] en haar bestuurders, die overigens ook nog zijn gehoord, zij het in een laat stadium.

De rechter dient overigens met de nodige behoedzaamheid te beoordelen of bewijsmateriaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. In verband met deze beperkte mogelijkheden om de betrouwbaarheid te toetsen, is het denkbaar dat het gebruik van bewijs niet verenigbaar is met het in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) verankerde recht. Voor zover er onzekerheden zouden zijn blijven bestaan over onder meer het verloop van projecten in Polen en de financiële situatie/vermogenspositie van de Poolse rechtspersonen, zal de rechtbank die in de bewijsvoering niet ten nadele van verdachte uitleggen.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM is aangevangen op 15 februari 2010, zijnde de dag waarop verdachtes woning is doorzocht.

Daaraan kon verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zou worden ingesteld.

Tot op de datum van heden 18 september 2018 heeft verdachte circa 8 jaar en 7 maanden moeten wachten op de uitspraak in deze strafzaak. Deze lange termijn heeft zijn oorzaak in de volgende omstandigheden.

  1. De ingewikkeldheid van de zaak. De strafzaak betreft een omvangrijk en complex onderzoek vanwege de financiële component, de buitenlandse vertakkingen en het grote aantal benadeelden. Een groot deel van de procedure is gelijktijdig met drie medeverdachten gevoerd.

  2. Onderzoekswensen. De verdediging heeft een aantal verzoeken gedaan die veel tijd hebben gekost. Er is een groot aantal getuigen gehoord.

  3. Het opsporingsonderzoek is, de complexiteit in aanmerking genomen, redelijk voortvarend geschied.

Vertraging die niet aan verdachte is toe te rekenen is gelegen in de volgende omstandigheden. In de periode van juli 2011 (afronding strafdossier) tot november 2013 (afstemming eerste regiezitting) is er weinig met de strafzaak gebeurd. In een later stadium heeft het lang geduurd alvorens getuige [naam 3] door middel van een videoverbinding door de rechter-commissaris kon worden gehoord. In de tussenbeslissing van 24 november 2015 heeft de rechtbank de zaak (onder meer) daartoe verwezen naar de rechter-commissaris. Het verhoor heeft plaatsgevonden op 10 juli 2017.

De rechtbank hanteert de vaste jurisprudentie dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Uitzonderlijk is dit geval echter zeker. De rechtbank acht de overschrijding van de redelijke termijn extreem en zal dat oordeel...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT