Uitspraak Nº 08.950134-15. Rechtbank Overijssel, 2016-03-22

Datum uitspraak:22 maart 2016
Uitgevende instantie::Rechtbank Overijssel
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats te Zwolle

Parketnummers (P): 08.950134-15

Datum vonnis: 22 maart 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1946 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 maart 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman,

mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: nadat hij failliet is verklaard, geen of onjuiste informatie heeft gegeven aan de curator;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan failllissementsfraude.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2012 tot en met 26 oktober 2015 te Genemuiden en/of Kampen en/of andere plaatsen in Nederland en/of in Duitsland als degene die op 18 december 2012 door de arrondissementsrechtbank Zwolle-Lelystad te Zwolle in staat van faillissement is verklaard en door de curator wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven, immers heeft verdachte de curator niet althans verkeerd ingelicht omtrent (onder meer) het feit:

- dat hij een motor Iveco Cursor 8 ter waarde van E.3.327,50 had gekocht bij [bedrijf 1] en/of

- dat hij diverse goederen en diensten had gekocht en/of afgenomen tot een bedrag van E. 496,71 bij/van [bedrijf 2] en/of

- dat hij diverse goederen had afgenomen tot een bedrag van E. 66,10 bij/van [bedrijf 3] en/of

- dat hij een kraan had verkocht aan [bedrijf 4] voor een bedrag van E. 4.840,- en/of

- dat hij een voertuig, een Iveco 260s, had verkocht (aan een persoon genaamd [naam 1] ) voor een bedrag van E. 15.500,- en/of

- dat hij de beschikking had over (een) contant(e) bedrag(en) van (ongeveer) E. 6.150,- en/of E. 10.850,- en/of

- welke bij verdachte en/of diens echtgenote in bezit zijnde/op naam staande voertuigen betrokken waren bij een verwisseling van kentekens en/of

- dat hij een aanvullend pensioen ontving en/of

- dat hij de beschikking had over een zitmaaimachine en/of niet aangegeven wat de waarde e.d. betrof van een zitmaaimachine en/of

- dat hij als gevolmachtigde van de onderneming [koeriersdienst] in het Handelsregister stond ingeschreven en/of

- dat hij inkomsten genoot uit door [koeriersdienst] verrichte werkzaamheden (voor onder meer [bedrijf 5] ) en/of

- dat hij (een) rekening(en) op naam van zijn echtgenote (een beleggersrekening met nummer [bankrekening 1] en een aandelendepot met nummer [aandelendepot] ) heeft gebruikt om daarop gelden te storten en/of betalingen door derden aan verdachte te laten overmaken en/of dat hij (mede) de beschikking had over voornoemde banktegoeden bij de [bank 1] te Nordhorn;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2012 tot 26 oktober 2015 te Genemuiden en/of Kampen en/of andere plaatsen in Nederland en/of in Duitsland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Zwolle-Lelystad te Zwolle van 18 december 2012 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of niet verantwoordt en/of enig goed aan de boedel heeft onttrokken, te weten (onder meer):

- 4.840,00 euro, zijnde de opbrengst van de verkoop van een kraan aan [bedrijf 4] te Hollandscheveld en/of

- 6.473,44 euro, althans enig bedrag, zijnde de opbrengst van distributiewerkzaamheden door [koeriersdienst] en/of

- 15.500,00 euro, zijnde de opbrengst van de verkoop van een voertuig Iveco type 260s en/of

- ( ongeveer) 6.150,- euro, zijnde contant geld aangetroffen bij verdachte en/of

- 10.850,00 euro, zijnde contant geld aangetroffen in (een herenbroek in) de woning van verdachte en/of

- 67.125,40 euro, betreffende de waarde van een aandelendepot met nummer [aandelendepot] en/of

- 25.000,00 euro, betreffende de waarde van een beleggersrekening met nummer [bankrekening 1] .

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

4 De voorvragen

Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hetgeen in de tenlastelegging onder het zevende aandachtstreepje is weergegeven onbegrijpelijk is. De rechtbank zal de dagvaarding op dat punt partieel nietig verklaren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige wél geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken, alsmede op de inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten in dit vonnis wordt verwezen.1 Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van baten die verdachte buiten de boedel heeft gehouden en/of werkzaamheden/inkomsten waarvan hij de curator op de hoogte diende te stellen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de stukken van het dossier vast dat verdachte bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 18 december 2012, welk vonnis bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 7 februari 2013 is bekrachtigd, in staat van faillissement is komen te verkeren. In dat vonnis is mr. L.M. de Jong, advocaat te Kampen, als curator aangesteld. Op 29 augustus 2014 heeft de curator aangifte tegen verdachte gedaan ter zake van – kort gezegd – faillissementsfraude.

De rechtbank overweegt allereerst dat de Faillissementswet (Fw) in beginsel het stelsel kent dat de gehele gemeenschap van goederen als één faillissement wordt behandeld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 61 Fw beoogt zowel de echtgenoot van de gefailleerde te beschermen als ook bescherming te bieden aan de gezamenlijke schuldeisers. Volgens vaste jurisprudentie wordt deze bepaling toegepast ongeacht het tussen de betrokkenen geldende huwelijksvermogensregime.

Dit beginsel lijdt ingevolge het bepaalde in artikel 61 van de Fw slechts uitzondering als de echtgenoot of partner kan bewijzen dat bepaalde goederen niet tot de gemeenschap behoren.

Het vorenstaande betekent dat de curator mag aannemen dat de goederen waarvan wordt beweerd dat ze toebehoren aan de echtgenoot van de gefailleerde, tot de failliete boedel behoren, tenzij de echtgenoot het bewijs levert dat die goederen aan hem toebehoren.

Uit de stukken blijkt dat verdachte en zijn echtgenote (medeverdachte) op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Hoe die voorwaarden luiden is niet gespecificeerd, noch is aangetoond welke goederen uitsluitend aan verdachte dan wel zijn echtgenote toebehoren.

Uit artikel 105 van de Fw volgt dat de gefailleerde dient mee te werken aan een goed verloop van de afwikkeling van het faillissement. In het kader van zijn taakuitoefening moet de curator kunnen beschikken over alle informatie betreffende het faillissementsvermogen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AD9144) mag van de gefailleerde worden verwacht dat hij, in verband met de aard van de aan hem gestelde vragen, ook inlichtingen verschaft waarom niet uitdrukkelijk is gevraagd.

Uit een brief van 24 december 2012 – met daaraan gehecht een verslag van een gesprek van 19 december 2012 - leidt de rechtbank af dat de curator met verdachte heeft besproken welke informatie hij van belang acht voor de afwikkeling van het faillissement. Hieruit blijkt dat de benodigde informatie meer omvat dan opgave van inkomsten en dat het ook gaat om opgave van vermogensbestanddelen. Mocht het verdachte tijdens het gesprek van 19 december 2012 (nog) niet (voldoende) duidelijk zijn geworden dat hij de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT