Uitspraak Nº 09-767038-15. Rechtbank Den Haag, 2019-10-22

Datum uitspraak:22 oktober 2019
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767038-15

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

[verhuurder] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 30 september, 4 en 7 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling) en 8 oktober 2019 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. F.A. Kuipers en mr. N. Coenen (hierna telkens te noemen: de officier van justitie), en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Peters, naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 oktober 2019 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De vraag die aan de rechtbank ter beantwoording voorligt is of de verdachte als pleger of medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres 5] in Almere (feit 1). Dit is subsidiair tenlastegelegd als medeplichtigheid. Voorts wordt de verdachte verdacht van het afleggen van een valse verklaring en/of het doen van valse aangifte (feit 2). Onder feit 3 en feit 4 wordt de verdachte het plegen dan wel medeplegen van valsheid in geschrifte verweten. De verdachte wordt voorts verdacht van het voorhanden hebben van een vuurwapen en/of een nepwapen (feit 5) en het voorhanden hebben van een elektrisch stroomstootwapen (feit 6). Ten slotte wordt de verdachte verweten dat hij zou hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en diefstal van stroom (feit 7).

3 Bewijsoverwegingen
3.1

Inleiding

Op 8 oktober 2014 is naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) en verschillende MMA-meldingen het opsporingsonderzoek ‘Braamvlinder’ gestart. Dit onderzoek richtte zich – kort gezegd – op een aantal personen uit de omgeving van Bodegraven die onder andere betrokken zouden zijn bij hennepkwekerijen. Deze hennepkwekerijen zouden zich zowel in woningen als in bedrijfsruimten bevinden en de betrokken personen zouden zich in wisselende samenstellingen daarmee bezighouden. In het onderzoek zijn door middel van observaties, plaatsing van een peilbaken, opvragen van telecommunicatiegegevens, afluisteren van telefoongesprekken en doorzoekingen onder meer de volgende personen als verdachten bij de politie in beeld gekomen: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . In het vonnis zullen zij worden aangeduid als: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de aan hem onder 1, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3, 6 en 7 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota, bepleit dat de verdachte van de hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Op specifieke standpunten van de verdediging zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Handgeschreven administratie / Kasboek

Op 24 november 2015 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand van [naam bedrijfspand] aan de [adres 3] te Bodegraven. Dit bedrijf is van [verdachte] .2 Hierbij is onder meer een stapel papieren gevonden met een handgeschreven opsomming van kosten.3 In het vervolg zal over deze aangetroffen papieren worden gesproken als “het kasboek”.

Bij de beoordeling van de tenlastegelegde betrokkenheid van de verdachte bij hennepkwekerijen en de criminele organisatie wordt een centrale plaats ingenomen door dit aangetroffen kasboek. De rechtbank zal daarom eerst enige overwegingen wijden aan de betekenis en de bewijswaarde van dit kasboek.

Administratie [verdachte]

Het kasboek bestaat uit 16 vellen van A-4 formaat waarvan op bijna alle kantjes handgeschreven bedragen en omschrijvingen in deels de Nederlandse taal en deels de Bosnische taal geschreven staan. [verdachte] heeft – uiteindelijk - erkend dat hij dit kasboek heeft geschreven4 en dit blijkt eveneens uit het handschrift vergelijkend onderzoek.5

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er tal van aanwijzingen dat dit kasboek niet alleen geschreven is door [verdachte] , maar dat het ook daadwerkelijk zijn eigen administratie betreft. Het gaat onder andere om de volgende aanwijzingen:

 In het kasboek wordt een aantal keren gesproken over “ik”, bijvoorbeeld op blz. 4 van het kasboek. Daar staat “1300,= pino* door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] toen ik in Bosnië was 16-07,23/7 mobil”.6 Uit de IRC-gegevens van de Bosnische grenscontroles blijkt dat [verdachte] op 15 juli 2013 aan de Bosnische grens stond en ook bij de grens werd gecontroleerd op 21 juli 2013, vermoedelijk op zijn terugreis.7

 Op pagina 'Zoetermeer 13' van het kasboek staat: -259,= boete Pasat 23-07. Bij het CJIB werden de transacties opgevraagd met betrekking tot het [kenteken 1] , afgegeven aan een Volkswagen Passat, destijds op naam gesteld van [naam BV 1] Gouda. Het voertuig was blijkens registraties uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie in de periode 2012-2014 in gebruik bij [medeverdachte 2] . Ook [medeverdachte 4] heeft van dit voertuig gebruik gemaakt. Volgens het overzicht van het CJIB is op 23-07-14 een boete geïncasseerd van € 259 van [rekeningnummer] . [naam 1] is de tenaamgestelde van dit rekeningnummer. [verdachte] is de enige bestuurder/aandeelhouder van [naam 1] .8

 In het kasboek wordt een enkele keer gerefereerd aan [naam 1] , bijvoorbeeld “200,- uit mobiel genomen 29-04” en “75,- uit de kassa [naam 1] )” en “100,= [medeverdachte 4] heeft genomen in mobil [medeverdachte 2] heeft aan hem gegeven”.9

 Op bladzijde 11 van het vertaalde kasboek staat de volgende post: “110,= [naam 2] Western Union 22-04”. Volgens de Western Union gegevens heeft [verdachte] op 23 april 2014 € 10000- verstuurd naar [naam 2] .10

 In het kasboek komt geregeld de naam [naam 3] ” voor. [verdachte] heeft verklaard dat [naam 3] in zijn telefoon staat als [naam 3] ”11 en bij de doorzoeking bij [naam bedrijfspand] is een usb-stick aangetroffen met daarop geschreven “iPhone [verdachte] ” waarop de telefoonnummers van [naam 3] en zijn bedrijf HTB staan opgeslagen onder de naam [naam 3] ”.12

 In het kasboek komt ook vaak de naam “ [medeverdachte 4] ” voor. Op de reeds genoemde usb-stick met opschrift “iPhone [verdachte] ” staat zes keer een telefoonnummer opgeslagen onder de naam “ [medeverdachte 4] ”, waarvan in ieder geval ten aanzien van één nummer vast staat dat dit het nummer van [medeverdachte 4] betreft, nu [medeverdachte 4] dat nummer aan Nuon heeft doorgegeven in verband met de stroomvoorziening voor de [adres 4] te Capelle aan den IJssel.13

 In het kasboek komen veel betalingen aan “ [medeverdachte 2] ” voor. Geconfronteerd met een aantal van deze betalingen heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij een bedrag van € 500,00 herkent dat hij van zijn vader [verdachte] heeft gekregen voor de reparatie van zijn Passat. Ook ten aanzien van andere bedragen in het kasboek heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij deze bedragen van zijn vader heeft gekregen. Zijn vader was de enige die hem dit soort bedragen gaf.14

De conclusie op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan geen andere zijn, dan dat het kasboek ziet op de administratie van [verdachte] en dus betrekking heeft op hem persoonlijk betreffende inkomsten en uitgaven. Het feit dat een enkele betaling een registratiedatum kent waarop [verdachte] in Bosnië verbleef, leidt niet tot een ander oordeel. Hiervoor zijn immers meer verklaringen denkbaar, bijvoorbeeld dat een betaling is gedaan of een bedrag uit de kas is genomen tijdens het verblijf van [verdachte] in Bosnië en dat deze betaling na terugkeer uit Bosnië door [verdachte] in het kasboek is verwerkt.

Het verweer van [verdachte] , dat hij het kasboek slechts op verzoek van [naam 4] ) heeft overgeschreven, vertaald en bewaard, kan de rechtbank absoluut niet overtuigen, nog los van de hiervoor aangehaalde omstandigheden die erop wijzen dat het zijn eigen administratie was.

Eerst ter zitting is [verdachte] met de verklaring gekomen dat [naam 4] aan hem heeft gevraagd het kasboek vanuit het Nederlands te vertalen in het Bosnisch en de Bosnische vertaling in zijn eigen bedrijf te bewaren. [naam 4] zou dit voor een ander hebben gevraagd, namelijk een niet bij name genoemde Servische man. [verdachte] en zijn familie zouden het met hun levens moeten bekopen als [verdachte] niet aan het verzoek van [naam 4] en de Servische man zou voldoen en als hij daarover niet zijn mond zou houden. Om deze bedreiging kracht bij te zetten, zouden de mannen in april 2013 een filmpje naar de telefoon van [verdachte] gestuurd hebben en hem gedwongen hebben dit filmpje driemaal...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT