Uitspraak Nº 09/837071-19. Rechtbank Den Haag, 2020-07-30

Datum uitspraak:2020/07/30
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837071-19

Datum uitspraak: 30 juli 2020

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 juli 2020 en 16 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw
mr. L.E.G van der Hut naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 7 juli 2020 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2014 te 's-Gravenhage, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede/belofte vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, schriftelijk, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede/belofte heeft afgelegd,

immers heeft hij, verdachte, in een proces-verbaal van aanhouding met registratienummer PL1512-2014085770-2 opzettelijk geheel of ten dele in strijd met de waarheid verklaard:

"Ik ( [verdachte] ) riep met luide stem naar [benadeelde partij] dat hij was aangehouden, zijn handen moest spreiden, zich om moest draaien en tegen de gevel moest gaan staan. Ik zag dat [benadeelde partij] stil bleef staan en geen gevolg gaf aan de opdracht die ik hem gaf. Ik duwde met mijn rechterhand tegen de borst van [benadeelde partij] en duwde hem richting de gevel achter hem. Ik voelde en zag dat [benadeelde partij] mijn hand met kracht weg duwde. Hierop pakte ik [benadeelde partij] bij zijn keel vast en duwde hem met kracht tegen de gevel achter hem. Ik riep met luide stem dat hij geen verzet moest plegen en dat hij zich moest omdraaien. Ik zag en voelde dat [benadeelde partij] wild met zijn handen om zich heen sloeg/bewoog."

en/of dit proces-verbaal (vervolgens) op ambtseed/ambtsbelofte heeft ondertekend;

2.

hij op of omstreeks 01 mei 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij] ), met een hand bij zijn keel heeft gegrepen en/of (vervolgens) achteruit heeft geduwd tegen een gevel en/of (met gebalde vuist) in het gezicht heeft geslagen en/of met pepperspray in het gezicht heeft gespoten en/of het hoofd heeft vastgepakt en/of met een wapenstok tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Het oordeel van de rechtbank
3.1

Inleiding

Op 1 mei 2014, omstreeks 02:45 uur, vond er een woordenwisseling plaats op straat in het uitgaansgebied aan [straatnaam] in Den Haag, waarbij onder meer [benadeelde partij] (verder te noemen: [benadeelde partij] ) was betrokken. Ter plaatse waren ook drie politieagenten in functie aanwezig, te weten de verdachte, dienstdoende als motoragent, en [politieagent 1] en [politieagent 2] . Op enig moment hebben zij [benadeelde partij] aangehouden, omdat hij niet voldeed aan de identificatieplicht. Bij die aanhouding is door de verdachte geweld gebruikt tegen [benadeelde partij] . Van de aanhouding hebben de verdachte en zijn twee collega’s een gezamenlijk proces-verbaal van aanhouding opgesteld. Daarnaast heeft de verdachte aangifte gedaan van mishandeling tegen [benadeelde partij] .

[benadeelde partij] is door het Openbaar Ministerie vervolgd voor het plegen van verzet bij zijn aanhouding. Op 6 oktober 2015 is hij hiervoor door de politierechter veroordeeld. Vervolgens is hij op 4 mei 2016 hiervan in hoger beroep vrijgesproken. Het Gerechtshof was mede op grond van de ter zitting bekeken camerabeelden van oordeel dat er sprake is van dusdanig onnodig en disproportioneel politiegeweld waardoor de opsporingsambtenaren jegens de verdachte niet geacht kunnen worden werkzaam te zijn geweest in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Bovendien was er naar het oordeel van het Gerechtshof geen sprake van verzet, omdat het er meer op leek dat [benadeelde partij] zich heeft willen beschermen tegen het door de politie toegepaste geweld.

Na zijn vrijspraak heeft [benadeelde partij] , bij monde van zijn advocaat, op 12 oktober 2016 aangifte van mishandeling gedaan tegen de drie agenten die betrokken waren bij zijn aanhouding, onder wie de verdachte. Deze aangifte is door de politie in onderzoek genomen, verdachte en zijn collega’s zijn gehoord, en de camerabeelden van het incident afkomstig van een camera van de Gemeentelijke Monitor Centrale (GMC) en van de bodycam van de verdachte zijn opnieuw onderzocht en beschreven. Als resultaat van dit onderzoek is naast de verdenking van mishandeling eveneens de verdenking gerezen dat het proces-verbaal van aanhouding dat was opgemaakt door de verdachte en [politieagent 1] en [politieagent 2] op onderdelen in strijd was met de waarheid.

In de kern draait deze zaak om de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij] (feit 2) en aan het plegen van meineed bij het opmaken van het proces-verbaal van aanhouding (feit 1).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat ten aanzien van de ten laste gelegde zin ‘Ik riep met luide stem naar hem dat hij was aangehouden, zijn handen moest spreiden, zich om moest draaien en tegen de gevel moest gaan staan’ kan worden bewezen dat de verdachte die opzettelijk in strijd met de waarheid in het (mede) door hem opgemaakte proces-verbaal van aanhouding heeft vastgelegd. Van de overige ten laste gelegde zinnen kan dat niet worden vastgesteld, zodat de verdachte van die onderdelen dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het door de verdachte toegepaste geweld niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat met betrekking tot de ten laste gelegde zinnen ‘Ik duwde met mijn rechterhand tegen zijn borst en duwde hem in de richting van de gevel achter hem’ en ‘Ik zag en voelde dat hij wild met zijn armen om zich heen sloeg/bewoog’ op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat die in strijd zijn met de waarheid, aangezien uit de camerabeelden het tegendeel blijkt. Subsidiair, indien de rechtbank één of meer zinnen wel in strijd met de waarheid acht, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk onjuistheden in zijn proces-verbaal heeft vermeld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het door de verdachte toegepaste geweld, tot het aanwenden waarvan hij als politieagent bevoegd was, passend en geboden was en derhalve rechtmatig, zodat vrijspraak dient te volgen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Feit 2: mishandeling van [benadeelde partij]

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat het ten laste gelegde geweld is toegepast bij de aanhouding van [benadeelde partij] . Dat [benadeelde partij] daardoor pijn en letsel heeft ondervonden blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de medische verklaring van 2 mei 2014.

De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of de verdachte dat geweld rechtmatig heeft toegepast. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechtbank eerst stilstaan bij het toepasselijke wettelijk kader. Vervolgens zal zij vaststellen wat er van het incident op de camerabeelden is waar te nemen, wat de verdachte daarover heeft verklaard en wat overigens op grond van het dossier is gebleken. Daarna zal de rechtbank aan de hand van het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT