Uitspraak Nº 09/994181-13. Rechtbank Den Haag, 2015-10-14

Datum uitspraak:14 oktober 2015
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 09/994181-13

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

BRP-adres: [Woonadres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 december 2014, 17 juni 2015 en 30 september 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.E. Kruimel en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 februari 2009 tot en met 4 juni 2010, althans in de/het ja(a)r(en) 2009 en/of 2010, te Den Haag en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,

(telkens) als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies/adviezen heeft gegeven of bijstand heeft verleend, bij het aan- en/of verkopen van (een) registergoed(eren),

(telkens) opzettelijk (in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(s) niet of niet-onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële Inlichtingen eenheid,

immers heeft hij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van,

-een op of omstreeks 18 februari 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de [adres 1] 's-Gravenhage (Bijlage 4); en/of

-een op of omstreeks 30 november 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de [adres 2] 's-Gravenhage (Bijlage 5); en/of

-een op of omstreeks 1 december 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de [adres 2] 's-Gravenhage (Bijlage 6); en/of

-een op of omstreeks 6 april 2010 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de [adres 3] 's-Gravenhage (Bijlage 8); en/of

-(een) op of omstreeks 20 mei 2010 verrichte levering(en) van de/het

appartementsrecht(en) van/betreffende de [adres 4]

Rotterdam en/of de [adres 5] Rotterdam (Bijlage

7).

3 Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Ter terechtzitting van 17 juni 2015 heeft de rechtbank het door de verdediging gevoerde preliminaire verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie gemotiveerd verworpen. Ter terechtzitting van 30 september 2015 heeft de verdediging het eerder gevoerde verweer inhoudelijk herhaald en op onderdelen aangevuld.

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is, kort gesteld en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat beginselen van een goede procesorde zijn geschonden nu een afdoening van een overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) middels het tuchtrecht voorrang dient te hebben op de strafrechtelijke afdoening. Daarbij is verwezen naar paragraaf 5.1 van de ‘Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldrekening notaris’ van het College van Procureurs-Generaal. Door zonder meer te dagvaarden heeft het openbaar ministerie in strijd gehandeld met de in de Aanwijzing en wetsgeschiedenis gewekte verwachtingen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het Wwft-systeem uitgaat van een ‘risk based’ in plaats van een ‘rule based’ benadering. De wetgever heeft het in eerste instantie aan de beroepsgroep zelf gelaten om in dit verband de norm van het onderzoek naar transacties te bepalen en de wijze waarop daar uitvoering aan moet worden gegeven.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er lichtvaardig is vervolgd en daarbij gewezen op het zogenoemde Zwolsman-criterium.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, kort samengevat, betoogd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Strafrechtelijke handhaving kan gelijk lopen met tuchtrechtelijke handhaving. Voorts heeft zij gewezen op het doel van de Wwft: het aanstellen van poortwachters ter bescherming van het financiële rechtstelsel. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de raadsman teksten niet goed heeft aangehaald. Die teksten hebben namelijk betrekking op een bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke handhaving en niet op een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke handhaving.

Het openbaar ministerie heeft besloten verdachte te vervolgen, omdat hij de norm van de Wwft heeft geschonden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in de wetsgeschiedenis van de Wwft (Samenvoeging van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) — Kamerstukken II 2007-2008, 31 238, nr. 3, p. 34 – het volgende is opgemerkt:

Beide stelsels sluiten de aanvullende rol die strafrechtelijke handhaving voor de naleving van dit wetsvoorstel kan betekenen niet uit. De aard en de ernst van overtredingen van deze wet kan een strafrechtelijke sanctie vergen. Ook de samenhang met andere strafbare feiten of de behoefte aan een opsporingsonderzoek met bijbehorende bevoegdheden kan reden vormen voor strafrechtelijke handhaving. Overtreding van een aantal voorschriften van dit wetsvoorstel is daarom strafbaar gesteld in de Wet op de Economische delicten.

Anders dan door de verdediging is betoogd, geeft naar oordeel van de rechtbank de wetsgeschiedenis expliciet ruimte voor strafrechtelijke handhaving van voorschriften uit de Wwft. De mogelijkheid van tuchtrechtelijke handhaving staat aldus een strafrechtelijke vervolging niet in de weg. Het verweer wordt verworpen.

In het verlengde van het voorgaande wordt ook het verweer dat de Wwft uitgaat van een ‘risk based’ in plaats van een ‘rule based’ systeem, waardoor – kort gesteld – het aan de beroepsgroep zelf is te beoordelen of een melding moet worden gedaan, verworpen.

De verdediging heeft eveneens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, in die zin dat verdachte uit de wetsgeschiedenis van de Wwft alsmede uit de ‘Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldrekening notaris’ het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.

Reeds gelet op het voorgaande citaat uit de wetsgeschiedenis kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn geweest van een door de overheid in redelijkheid gewekte verwachting. Ook kan een dergelijke verwachting niet worden ontleend aan de door de verdediging aangevoerde Aanwijzing, die overigens ziet op een andere situatie, te weten de verplichting voor de notaris onder bepaalde voorwaarden in een strafrechtelijk onderzoek gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn derdengeldrekening. Bovendien sluit

deze aanwijzing strafrechtelijke handhaving geenszins uit. In dat kader overweegt de rechtbank verder dat volgens vaste jurisprudentie de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Voor de opvatting dat in deze zaak lichtvaardig is vervolgd dan wel daaraan geen zorgvuldige afweging ten grondslag zou liggen bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grond. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat van enige fundamentele schending van de rechten van de verdachte of van beginselen van een goede procesorde niet is gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

4 Bewijsoverwegingen
4.1

Inleiding

Verdachte is notaris en wordt ervan verdacht dat hij vijfmaal ten onrechte geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie bij het daartoe opgerichte meldpunt in de zin van de Wwft. Gelet op de tenlastelegging dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of hiervan inderdaad sprake is en indien dit het geval is – gelet op het verweer van de raadsman – of verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van vijf transacties melding had moeten doen van een ongebruikelijke transactie bij het meldpunt en dat opzettelijk heeft nagelaten. Ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake was van ongebruikelijke transacties heeft de officier van justitie kort samengevat aangevoerd dat er gebruik werd gemaakt van stromannen, adressen afwijkend waren, de transacties door aard, omvang, frequentie en uitvoering ongebruikelijk waren en dat gelden afkomstig waren uit onduidelijke bron en onvoldoende waren gedocumenteerd.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing heeft de verdediging daartoe kort samengevat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT