Uitspraak Nº 104.004.583. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2019-02-26

Court:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Nederland)
Docket Number:104.004.583
ECLI:ECLI:NL:GHARL:2019:1764
GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.004.583

(zaaknummer rechtbank Utrecht 195088)

arrest van de zesde kamer van 26 februari 2019

in de zaak van

de vereniging

Vereniging Consument en Geldzaken,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: VCG,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de naamloze vennootschap

Groeivermogen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Groeivermogen,

advocaat: mr. W. de Jong.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 maart 2016;

- akte na tussenarrest van VCG van 20 juni 2017;

- antwoordakte na tussenarrest van Groeivermogen van 1 augustus 2017.

1.2

Partijen hebben vervolgens de stukken overgelegd en opnieuw arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling
2.1

In het laatste tussenarrest heeft het hof de zaak aangehouden in afwachting van een aantal te verwachten uitspraken van de Hoge Raad, zodat partijen zich erover zouden kunnen uitlaten welke consequenties die uitspraken hebben voor het onderhavige geschil. Partijen hebben daarover ieder een akte genomen. Het hof zal thans eerst bezien welke eiswijzigingen worden toegelaten, en daarna ingaan op de grieven.

eiswijzigingen

2.2

VCG heeft bij de memorie van grieven haar eis in het principaal appel gewijzigd. Daartegen maakt Groeivermogen bezwaar. Zij stelt daartoe (memorie van antwoord sub 13 e.v.) dat het hier gaat om een collectieve actie, en dat het daarom te meer van belang is dat de vorderingen in twee instanties volledig worden behandeld, terwijl VCG bovendien vijf jaar heeft laten verstrijken tussen de appeldagvaarding en de memorie van grieven; de eiswijzigingen zijn in strijd met de goede procesorde. Het hof volgt Groeivermogen daarin niet. Vanzelfsprekend is het ook, en misschien zelfs vooral, in een collectieve actie van belang dat het debat over de geschilpunten in volle omvang wordt gevoerd, maar daartoe is niet vereist dat alle vorderingen dan ook in twee instanties worden bediscussieerd. Gelet op het feit dat er na de memories van grieven en antwoord drie tussenarresten zijn gewezen, aan beide zijden nog een memorie en twee aktes zijn genomen en pleidooien zijn gehouden, is het hof van oordeel dat Groeivermogen voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten ten aanzien van de bij grieven gewijzigde vorderingen te ontwikkelen en uiteen te zetten. De eiswijzigingen bij grieven zijn derhalve niet in strijd met de goede procesorde en worden dan ook toegestaan.

2.3

VCG heeft voorafgaande aan de pleidooien een akte wijziging eis ingediend, maar heeft de voorgenomen eiswijziging ingetrokken bij pleidooi.

2.4

Bij haar laatste akte heeft VCG andermaal haar eis (deels voorwaardelijk) gewijzigd. Daarvoor geldt als uitgangspunt dat de in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel meebrengt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Deze twee-conclusie-regel beperkt de (ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv) aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt.

2.5

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, onder meer indien met de eiswijziging aanpassing wordt beoogd aan eerst na de memorie van grieven voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eiswijziging ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771).

2.6

Het voorgaande brengt mee dat een wijziging in de stand van het recht, bijvoorbeeld door voortschrijdende jurisprudentie terwijl de procedure loopt, aanleiding kan geven voor een toelaatbare eiswijziging. Immers kan zich dan de situatie voordoen dat het geschil aan de hand van een inmiddels achterhaalde rechtsleer zou moeten worden beslist, terwijl – zo dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van het inmiddels geldende recht te doen beslissen. Anderzijds kan een zodanige eiswijziging, zeker aan het einde van de procedure, al snel in strijd komen met de eisen van een goede procesorde, met name als het, zoals hier, gaat om een collectieve actie, die niet slechts voor de procespartijen maar ook voor vele anderen gevolgen kan hebben.

2.7

Bij de afweging van deze gezichtspunten kent het hof voor dit geval meer gewicht toe aan het laatste. Daarbij acht het hof van belang dat deze procedure is aangevangen in 2005 en dus inmiddels 14 jaar loopt. De opgetreden vertragingen zijn deels het gevolg van inactiviteit van de kant van partijen, deels veroorzaakt door uitstel in afwachting van rechtspraak van de Hoge Raad en deels door overbelasting aan de kant van het hof. Het hof laat daarom de laatste eiswijziging, waarover nog geen uitvoerige discussie heeft kunnen plaatsvinden en die aldus tot nog meer uitstel zou kunnen leiden, niet toe. Overigens zal hieronder blijken dat dat voor de inhoudelijke behandeling en voor de te beslissen onderwerpen uiteindelijk geen verschil maakt.

inleiding

2.8

Het geschil tussen partijen dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de inmiddels ontwikkelde rechtspraak in effectenleasezaken. In zijn arrest van 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat in verband met de risicovolle aard van effectenleaseproducten, op een effecteninstelling als professionele dienstverlener een bijzondere zorgplicht rust tegenover particuliere beleggers. Deze bijzondere zorgplicht volgt uit hetgeen waartoe de eisen van redelijkheid en billijkheid een effecteninstelling verplichten, in aanmerking genomen haar maatschappelijke functie en haar deskundigheid. De reikwijdte van die zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dientengevolge rust op de aanbieder van een effectenleaseproduct de verplichting de particuliere belegger te waarschuwen voor het restschuldrisico. Voorts is de aanbieder gehouden onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere belegger. Verder dient hij deze belegger, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontraden de leaseovereenkomst aan te gaan. Deze zorgplicht gaat - behoudens bijzondere omstandigheden - niet zo ver dat de aanbieder dient te weigeren de leaseovereenkomst te sluiten.

2.9

Deze waarschuwingsplicht en de verplichting inlichtingen in te winnen over inkomen en vermogen van de potentiële particuliere afnemer, hebben een algemeen karakter, dat in belangrijke mate is verbonden aan de risicovolle aard van het effectenleaseproduct, dat aan een breed publiek is aangeboden. De verplichting de afnemer bij het aangaan van de leaseovereenkomst indringend te waarschuwen voor het restschuldrisico, strekt ertoe de potentiële particuliere wederpartij te informeren over, en hem te waarschuwen tegen, het lichtvaardig op zich nemen van onnodige risico’s, of van risico’s die hij redelijkerwijs niet kan dragen (rov. 5.2.1 en 5.2.2 van voornoemd arrest). Schending van deze zorgplichten zal in het algemeen meebrengen dat de aanbieder van het effectenleaseproduct is gehouden de daarmee verband houdende schade te vergoeden (rov. 5.3 van voornoemd arrest).

2.10

Als uitgangspunt bij de beoordeling van de eigen schuld van de belegger kan worden gehanteerd dat de reeds betaalde rente, aflossing en eventuele kosten alsmede de restschuld, mede het gevolg zijn van aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden, daarin bestaande dat uit de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moet worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. Er zal dan grond zijn voor vermindering van de vergoedingsplicht van de aanbieder in evenredigheid met de mate waarin de aan de aanbieder en de aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden moeten worden geacht te hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze schade, en vervolgens zal moeten worden onderzocht of op grond van de billijkheid een andere verdeling gerechtvaardigd is.

2.11

In HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811, is geoordeeld dat niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in het berechte geval, waarin het hof had vastgesteld dat de aanbieder had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden en dat de afnemer dus tegen het aangaan van de leaseovereenkomst had moeten worden beschermd, 40% van (het saldo van) de reeds betaalde rente (en ontvangen dividend) en 40% van de restschuld voor rekening van de afnemer heeft gelaten, zodat de verplichting tot schadevergoeding van de aanbieder in de gegeven situatie tot 60% van dit saldo en deze...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT