Uitspraak Nº 11/02065. Hoge Raad, 2018-04-17

Docket Number11/02065
ECLIECLI:NL:HR:2018:605

17 april 2018

Strafkamer

nr. S 11/02065 H

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2002, nummer 20/000493-01, ingediend door A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, namens:

Hüseyin BAYBAŞIN, geboren te Lice (Turkije) op 25 juni 1956.

1 Het verloop van de zaak
1.1.1.

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Breda van 9 februari 2001 – bij arrest van 30 juli 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AE5920 de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van moord", 2. "poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van gijzeling", 4. "om een feit, bedoeld in het vierde lid van art. 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen", 5. "poging om een ander door misbruik van gezag en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd" en 6. "als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

1.1.2.

De misdrijven waarvoor de aanvrager is veroordeeld, betreffen volgens het arrest van het Hof en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv kort samengevat:

(1). De [betrokkene 3] -zaak (dossier 1)

Het medeplegen van moord (tezamen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de uitvoerder(s) van de moord) op [betrokkene 3] op 9 november 1997 (omstreeks 16.25 uur) in (een theetuin in) Istanbul. De aanvrager heeft deze moord in Nederland beraamd, en daartoe instructies gegeven aan onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en aldus indirect de personen aangestuurd die deze moord moesten plegen.

(2). De Kentucky-zaak (dossier 3)

Poging tot uitlokking van [betrokkene 4] om in de periode van 25 oktober 1997 tot en met 27 januari 1998 [betrokkene 5] in Kentucky (Verenigde Staten) te vermoorden. De aanvrager heeft hiertoe inlichtingen verstrekt en een beloning in het vooruitzicht gesteld.

(3). De gijzeling van [betrokkene 6] (dossier 4)

Medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van 22 tot en met 30 november 1997 van [betrokkene 6] (alias [betrokkene 6] ) te Istanbul. De aanvrager heeft de gijzeling beraamd, heeft instructies gegeven en heeft toezeggingen gedaan om de kosten voor zijn rekening te nemen.

(4). De heroïnezaak (dossier 6)

Van 9 november 1997 tot en met 9 januari 1998 heeft de aanvrager instructies gegeven en contacten gelegd ter voorbereiding van de invoer van twintig kilogram heroïne naar Nederland en de voorbereiding tot uitlokking daartoe van [betrokkene 2] .

(5). De [betrokkene 7] -zaak (dossier 8)

Poging tot uitlokking van [betrokkene 8] tot het plegen van moord op [betrokkene 7] en [betrokkene 9] in de periode van 18 tot en met 19 februari 1998.

(6). Deelneming aan een criminele organisatie

Van 22 september 1997 tot en met 27 maart 1998 als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van moord, gijzeling en opzettelijke invoer van heroïne.

1.1.3.

De bewezenverklaring berust voor een groot deel op de transcripties van onderschept telefoonverkeer. Onder meer tegen het gebruik daarvan voor het bewijs zijn ter terechtzitting van het Hof verweren gevoerd. Het Hof heeft deze verweren als volgt samengevat en verworpen:

"7.3 De verdediging heeft zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

(...)

e. De vertalingen in opdracht van de politie zijn geschied door anonieme tolken, waaronder een tolk van Turkse afkomst – zijnde ook een opsporingsambtenaar – die gevraagd en ongevraagd informatie verstrekte aan de Turkse autoriteiten. De vertalingen van deze tolken zijn op essentiële onderdelen onjuist.

f. Blijkens onderzoek in opdracht van de verdediging zijn telefoontaps gemanipuleerd.

(...)

ad e. (...) Over de werkwijze van de politietolken zijn de officier van justitie [betrokkene 10] en de teamleider [betrokkene 11] gehoord. (...) Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de politietolken op zorgvuldige wijze zijn geselecteerd. Hun deskundigheid is onderzocht. Ook de wijze waarop de afgeluisterde telefoongesprekken zijn vertaald, acht het hof voldoende zorgvuldig. Blijkens de verklaring van de getuige [betrokkene 11] werden, als bij het teamoverleg duidelijk werd dat het om cruciale gesprekken ging, belangrijke gesprekken door twee andere tolken opnieuw en afzonderlijk vertaald, waarna overleg plaatsvond over de uiteindelijke vertaling. Gelet op de enorme hoeveelheid afgeluisterde telefoongesprekken kan niet verwacht worden dat elk telefoongesprek op een dergelijk arbeidsintensieve manier werd uitgeluisterd en besproken. De rechter-commissaris heeft de vertalingen van een aantal gesprekken aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de vertalingen op essentiële punten overeenkwamen. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de vertalingen op belangrijke punten overeenkomen met de vertalingen van enkele gesprekken door een door de rechter-commissaris benoemde tolk en met gebeurtenissen die zich blijkens de stukken in het dossier in en buiten Nederland hebben afgespeeld. Dat er bij een aantal gesprekken verschillen zijn geconstateerd, doet niet af aan de vaststelling van het hof dat bij de vertaling van de telefoongesprekken voldoende zorgvuldigheid is betracht. (...) Bovendien hebben de politietolken in een kort tijdsbestek zeer veel gesprekken moeten vertalen zodat onnauwkeurigheden niet uit te sluiten zijn. Echter, zoals hiervoor al is weergegeven, heeft het hof bij het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat de vertalingen van de politietolken voldoen aan de daaraan in het licht van de onderhavige strafzaak te stellen eisen.
Dat één van de tolken in opdracht van de Turkse overheid doelbewust telefoongesprekken onjuist zou hebben vertaald is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Van sturing bij de vertaling door rechercheurs is ter terechtzitting evenmin gebleken. In ieder geval zijn de cruciale gesprekken door telkens drie tolken onafhankelijk van elkaar vertaald, waardoor de betrouwbaarheid van de tapverslagen afdoende werd gewaarborgd.

In dit kader verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent bij de bijzondere overwegingen onder punt 10 door het hof wordt overwogen.

ad f. Ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de telefoongesprekken zijn gemanipuleerd. De vaststelling dat het technisch mogelijk is om telefoontaps te manipuleren is onvoldoende om aannemelijk te achten dat dit ook is gebeurd. Dit laatste is gelet op de praktische uitvoerbaarheid van manipulatie van een zeer grote hoeveelheid gesprekken als in de onderhavige strafzaak ook onwaarschijnlijk.

Door drs. A.P.A. Broeders is uitgebreid onderzoek verricht naar manipulatie van telefoontaps. Hij concludeerde in zijn rapport d.d. 22 december 2000 dat het uitgevoerde onderzoek naar de aard van de door de verdediging ten aanzien van de onderzochte opnamen genoemde onregelmatigheden geen steun geeft aan de stelling dat deze opnamen op enigerlei wijze zijn gemanipuleerd en dat ook overigens bij het overwegend auditieve onderzoek van de onderzochte opnamen geen indicaties zijn aangetroffen die steun geven aan de stelling dat er van manipulatie sprake zou zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de verdediging aan drs. A.P.A. Broeders vele vragen gesteld. Hij heeft bij die gelegenheid volhard in zijn conclusie als deskundige dat hij bij het onderzoek van de door de verdediging geselecteerde gesprekken geen indicaties heeft gevonden voor manipulatie van die gesprekken. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven te twijfelen aan de deskundigheid van drs. A.P.A. Broeders of aan de juistheid van zijn bevindingen. Voor wat betreft de via het digitale systeem afgeluisterde telefoongesprekken heeft ook het hoofd van de tapkamer te Apeldoorn [betrokkene 12] verklaard dat hem van manipulatie van gesprekken niet is gebleken.

Een door de verdediging uitgelicht gesprek van 1 december 1997 is op verzoek van de advocaat-generaal nader onderzocht door drs. Broeders die met betrekking tot zijn bevindingen op 10 april 2002 een rapport uitgebracht. Ook dit onderzoek leverde geen enkele aanwijzing op voor enigerlei vorm van manipulatie of montage. In voornoemde onderzoeken zijn de opmerkingen van de verdediging over tikken en achtergrondgeluiden en dergelijke betrokken. Gelet op de bevindingen van drs. A.P.A. Broeders, is het ontbreken van contranummers ook onvoldoende om manipulatie aan te nemen.

Dat Nederland geen controle zou hebben over het functioneren van de tapkamers doordat er in Nederland geen kennis bestaat van de uit Israël afkomstige software is, voor zover dit al juist zou zijn, onvoldoende om aan te nemen dat er met telefoontaps is gemanipuleerd. Uit het onderzoek van de afgeluisterde telefoongesprekken zijn voor die veronderstelling, zoals gezegd, geen feitelijke aanwijzingen gevonden en de inhoud van de gesprekken komt ook veelal overeen met gebeurtenissen die zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.

In dit kader verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent bij de bijzondere overwegingen onder punt 10 door het hof wordt overwogen.

(...)

10.2

De manipulatie van de getapte telefoongesprekken

Door de raadslieden is - kort en zakelijk...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT