Uitspraak Nº 12/858, 12/859, 12/860, 15/322 en 15/329. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2020-01-07

Datum uitspraak: 7 januari 2020
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/858, 12/859, 12/860, 15/322, 15/329

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaken tussen Maatschap [naam 1] (AWB 12/858) (hierna ook: [naam 1] ),

[naam 2] (AWB 12/859) (hierna ook: [naam 2] ),

[naam 3] (AWB 12/860) (hierna ook: [naam 3] ),

[naam 4] sr. en [naam 4] jr. (AWB 15/329) (hierna ook: [naam 4] sr. en [naam 4] jr.)

(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans),

[naam 5] (AWB 15/322) (hierna ook: [naam 5] )

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen)

(allen te Kootwijkerbroek , hierna gezamenlijk: appellanten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen ook de staatssecretaris van Economische Zaken(, Landbouw en Innovatie); hierna de minister, de staatssecretaris of verweerder)

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Inhoud

Samenvatting

Procesverloop

Overwegingen

1. Voorgeschiedenis

2. De bestreden besluiten

2.1

De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3]

2.2

De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en ten aanzien van [naam 5]

3. Standpunten van partijen

3.1

Standpunt van appellanten

3.2

Standpunt van verweerder

4. De beoordeling door het College

4.1

Herkomst van de monsters en verwantschap

4.2

De verhouding tussen de primaire besluiten en de bestreden besluiten; verschillende toetsingsmaatstaven; de te beantwoorden rechtsvraag

4.3

De bewijslast en de maatstaf voor de bewijsvoering

5. Het bewijs en de waardering daarvan

5.1

Bewijsstap 1

5.2

Bewijsstappen 2a en 2b

5.3

Beoordeling van de gestelde afwijkingen en hun betekenis

6. Conclusie met betrekking tot de bewijslevering

7. Stamping out aanpak hier wel of niet proportioneel?

8. De redelijke termijn

9. Proceskosten en griffierecht

Beslissing

Samenvatting

Deze uitspraak rondt vele jaren geleden begonnen procedures af die, alles bijeengenomen, te lang hebben geduurd. Het College verbindt daar aan het slot van de uitspraak het gevolg aan dat aan elke appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn een bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend.

Inhoudelijk vindt het College de beroepen van appellanten niet gegrond. Het College geeft hier - vereenvoudigd en op hoofdlijnen - een samenvatting van de uitspraak.

Na de verschillende uitspraken die het College in het verleden reeds heeft gedaan, is de kernvraag in deze uitspraak of verweerder, bij het opnieuw nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van appellanten tegen de primaire besluiten, in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was.

Het College heeft partijen in de loop van de procedure medegedeeld dat het geschil zal worden beoordeeld aan de hand van de in een eerdere en vergelijkbare zaak door het College gehanteerde bewijsmaatstaf. Partijen hebben vervolgens hun standpunten opnieuw ingericht en verder ontwikkeld in het licht van die maatstaf.

Die (bewijs)maatstaf is met name gehanteerd om in een situatie als deze, waarin slechts tot op zekere hoogte is vast te stellen hoe de feiten zich in werkelijkheid hebben voorgedaan en niet alle omstandigheden zich logischerwijs laten verklaren, een oplossing te geven. Omdat de partij die de bewijslast draagt daarmee ook het bewijsrisico heeft, houdt een verdeling van de bewijslast in dat de partij die niet aan haar bewijslast kan voldoen, de procedure verliest. De (bewijs)maatstaf omvat drie stappen en de bewijslast rust in de eerste plaats op verweerder en als hij aan die last voldoet vervolgens op appellanten. Als appellanten aan hun bewijslast voldoen komt de bewijslast weer op verweerder te rusten. De zwaarte van de bewijslast neemt per bewijsstap toe.

Alvorens de bewijsvoering van partijen te beoordelen, heeft het College geoordeeld over een prealabel argument van appellanten, te weten de herkomst van de monsters en de verwantschap tussen een bepaald rund en een bepaald kalf. Het College heeft over dit punt reeds eerder geoordeeld en toen voldoende aannemelijk geacht dat zowel het heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig is van één en hetzelfde kalf en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. Het College heeft hieraan toen de conclusie verbonden dat onvoldoende aannemelijk is dat zich tussen het moment van afname van de desbetreffende monsters op het bedrijf van [naam 6] en de aanlevering daarvan bij ID-Lelystad B.V. (hierna ook: ID-Lelystad) onregelmatigheden hebben voorgedaan of dat toen sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Het College heeft in de nieuw beschikbaar gekomen informatie geen aanleiding gevonden daarover anders te oordelen dan het eerder heeft gedaan.

Verder heeft het College, voorafgaand aan de beoordeling van de bewijsvoering, de verhouding tussen de primaire besluiten en de bestreden besluiten beoordeeld. De maatstaf die bij de toetsing van de primaire besluiten moest worden gehanteerd (“ernstige twijfels”) is een andere dan de maatstaf aan de hand waarvan de bestreden besluiten moeten worden beoordeeld. Nu moet, als gezegd, de vraag worden beantwoord of verweerder, bij het opnieuw nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van appellanten tegen de primaire besluiten, in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was.

Dat betekent dat de rechtsvraag die ter beantwoording door het College voorligt dus niet identiek is aan de vraag: “was/is nog te achterhalen of er destijds MKZ in Kootwijkerbroek (was) of niet” en daarvan dus wel moet worden onderscheiden. Dat betekent ook dat daar waar in het verslag en de addenda van de deskundigen wordt gesteld “we konden (…) niet met zekerheid concluderen dat er geen MKZ virus aanwezig was” of “dat uit de aangeboden informatie en de verslagen, niet uit te sluiten is dat er geen MKZ virus in dit ene kalf in Kootwijkerbroek aanwezig is geweest”, zodanige oordelen op zichzelf niet bijdragen aan de oplossing van de geschillen. Juist om aan die onzekerheden het hoofd te bieden en de geschillen toch te kunnen beslechten, is de bewijsmaatstaf gehanteerd. Om de in dat verband door partijen geleverde bewijsvoeringen goed te kunnen waarderen, heeft het College die deskundigen benoemd.

Lang is stilgestaan bij de vraag of het gebruik van platen in plaats van buizen met rubberdopjes, het niet steeds in duplo testen en het achterwege blijven van een ingangscontrole schendingen van een voor het laboratorium geldende standaarden opleverden, en zo ja, of die schendingen tot het voor appellanten belastende analyseresultaat kunnen hebben geleid .

De deskundigen hebben blijkens hun antwoorden op de tweede, vijfde, zesde en negende nadere vraag van het College in addendum 2 geoordeeld dat gezien het zeer lage percentage positieve materialen in deze experimenten, het aantal negatieve controles (weliswaar niet conform de voorschriften) als adequaat is te beschouwen en ook dat er met betrekking tot de viruskweek voldoende negatieve controles zijn meegenomen, alsmede dat een en ander niet heeft bijgedragen aan het belastende analyseresultaat in de experimenten die zijn uitgevoerd. Bij de beantwoording van de nadere vraag 10 hebben de deskundigen geoordeeld dat het in het licht van het lage percentage positieve monsters niet waarschijnlijk is dat het niet consequent uitvoeren van de test in duplo heeft geleid tot het belastende analyseresultaat. Het niet in duplo testen zou, aldus de deskundigen, hoogstens hebben kunnen leiden tot een minder gevoelige kweek en daarmee potentieel tot fout-negatieve resultaten. Voorts hebben de deskundigen, blijkens hun antwoord op de nadere vraag 11, het standpunt van Ferris en De Clercq onderschreven dat gezien de vele negatieve uitslagen, gegenereerd met diverse batches van cellen, ondanks het feit dat geen ingangscontrole van iedere batch cellen afkomstig van de lammernieren is uitgevoerd, het onwaarschijnlijk is dat deze cellen MKZ-virus bevatten. Met betrekking tot het achterwege blijven van een ingangscontrole op voldoende gevoeligheid voor MKZ hebben de deskundigen opgemerkt dat het gebruik van minder gevoelige cellen zou kunnen leiden tot het missen van positieve monsters (fout-negatieve resultaten). Dit zal dan niet tot het belastende resultaat hebben geleid. Het College ziet geen aanleiding om de deskundigen op deze, direct op de bewijsmaatstaven toegesneden, punten niet in hun oordeel te volgen. Van een systematische fout of van manipulatie is niet gebleken. Het College komt tot de conclusie dat het laboratorium bij de isolatie van het mond- en klauwzeervirus op secundaire lammerniercellen, door geen buizen maar platen te gebruiken, niet steeds in duplo te testen en een ingangscontrole achterwege te laten, weliswaar is afgeweken van de op de virusisolatie...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT