Uitspraak Nº 13.094463.20. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-23

Datum uitspraak:23 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.094463.20

Datum uitspraak: 23 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2020. Verdachte en zijn raadsman, mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, waren daarbij aanwezig. Namens de benadeelde partij was aanwezig mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te Den Haag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, van de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte en zijn raadsman, en mr. Zwaanswijk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het volgende:

Feit 1:

medeplegen van diefstal met geweld op 4 april 2020 te Amsterdam en/of

medeplegen van afpersing op 4 april 2020 te Amsterdam;

Feit 2:

het voorhanden hebben van een ploertendoder en/of een taser en/of twee vuurwapens op 4 april 2020 te Amsterdam.


De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank leest het in de eerste regel van het onder 1 ten laste gelegde vermelde “4 april” als “4 april 2020”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Inleiding

Het gaat in deze zaak om de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een beroving met geweld, afpersing en verboden wapenbezit.

Op 4 april 2020 vond te Amsterdam aan de [straatnaam] een ontmoeting plaats tussen twee groepen van drie personen namelijk verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enerzijds en aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] anderzijds. Verdachten hadden een afspraak met [aangever 1] om lachgas van hem te kopen op 4 april 2020. Er zijn verschillende lezingen van wat er precies is gebeurd tijdens die ontmoeting. Niet ter discussie staat dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden een alarmpistool meegenomen hadden en dat [medeverdachte 1] op enig moment met zijn alarmpistool in de lucht heeft geschoten. Aangevers hebben hebben direct de politie gebeld om te melden dat zij waren beroofd van hun lachgastanks, jas en een mobiele telefoon. Verdachten zijn aangehouden in een busje, waarin naast de lachgastanks, de jas van [aangever 1] en de telefoon van [aangever 3] twee alarmpistolen, een taser en een wapenstok zijn aangetroffen.

4 Waardering van het bewijs
4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefsal met geweld dan wel de afpersing van de lachgastanks, de jas en de telefoon (feit 1) en het wapenbezit (feit 2) kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Verdachte had geen opzet op diefstal met geweld en ook niet op afpersing. Hij is enkel door zijn medeverdachten mee gevraagd om te helpen met inladen. Niet gesteld kan worden dat dit enkele meegaan voor het kopen van lachgas voorwaardelijk opzet op diefstal met geweld of afpersing oplevert. Uit de verklaringen van aangevers blijkt dat verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht. Bovendien bevestigen de medeverdachten dat zij het busje hebben gehuurd, afspraken hebben gemaakt, eerder zaken hebben gedaan met een van de aangevers en dat verdachte geen wapens in bezit had. Er is geen sprake van medeplegen, verdachte stond erbij en keek ernaar. Er was geen plan, geen feitelijke bijdrage van verdachte en geen beloning voor verdachte. Verdachte heeft tijdens de deal de lachgastanks geteld en werd opeens aangevallen door [aangever 2] die de lachgastanks weer wilde uitladen en een taser had. Verdachte had geen enkel aandeel in diefstal of afpersing. Voor zover er al sprake zou zijn van afpersing komt dit voor rekening van [medeverdachte 2] en diefstal komt voor rekening van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Ten aanzien van het wapenbezit (feit 2) moet vrijspraak volgen, omdat verdachte geen enkel wapen heeft gezien of voorhanden heeft gehad. De twee vuurwapens waren in het bezit van de medeverdachten. Er is geen enkele aanwijzing voor de conclusie dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de wapens. Ook is er geen ondersteunend bewijs voor de verdenking dat verdachte een taser of ploertendoder in zijn bezit zou hebben gehad. Dat deze wapens in het busje zijn aangetroffen betekent niet dat verdachte deze voorhanden heeft gehad of hier enige beschikkingsmacht over heeft gehad. Verdachte heeft zelf geen wapen meegenomen en heeft ook geen wapen in zijn handen gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van een overval en heeft verklaard dat daarbij (onder meer) zijn jas en meerdere lachgastanks zijn weggenomen. Deze lachgastanks en de jas van aangever zijn aangetroffen in het busje waarin verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden. [aangever 3] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij onder bedreiging met een wapen zijn telefoon heeft afgegeven. Ook deze telefoon is aangetroffen in het door verdachte en de medeverdachten die avond gebruikte busje. Alle drie de aangevers hebben verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] een zwart vuurwapen had en dat hij daarmee geschoten heeft en [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij met dit vuurwapen in de lucht heeft geschoten. Ook verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Aangever [aangever 2] heeft verklaard van ‘de andere Aziaat’ een stroomstoot te hebben gekregen met een taser. [aangever 1] heeft de taser gezien en [aangever 3] heeft het geluid van de taser gehoord. Daarnaast heeft de politie op de plaats delict het polskoord en het schakelaarknopje van de taser gevonden. De raadsman heeft aangevoerd dat niet duidelijk is of met ‘de andere Aziaat’ verdachte wordt bedoeld. Nu uit het dossier en uit wat ter terechtzitting is gezegd blijkt dat [medeverdachte 1] de Aziaat is die geschoten heeft kan het niet anders dan dat met ‘de andere Aziaat’ verdachte wordt bedoeld. In dit kader merkt de rechtbank op dat zij de lezing van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat [aangever 2] hem aanviel en hem wilde taseren, niet geloofwaardig vindt. [aangever 3] heeft ook verklaard dat verdachte [medeverdachte 2]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT