Uitspraak Nº 13.094496.20. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-23

Datum uitspraak:23 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.094496.20

Datum uitspraak: 23 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2020. Verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. Willekes, advocaat te Amsterdam, waren daarbij aanwezig. Namens de benadeelde partij was aanwezig mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te Den Haag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, van de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte, zijn raadsvrouw en mr. Zwaanswijk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het volgende.

Feit 1:

medeplegen van diefstal met geweld op 4 april 2020 te Amsterdam en/of

medeplegen van afpersing op 4 april 2020 te Amsterdam;

Feit 2:

het voorhanden hebben van een ploertendoder en/of een taser en/of twee vuurwapens op 4 april 2020 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. In de tenlastelegging ontbreekt bij feit 1 het jaartal. Uit het dossier blijkt duidelijk dat het jaartal 2020 moet zijn. De rechtbank leest het in de eerste regel van het onder 1 ten laste gelegde vermelde “4 april” als “4 april 2020”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Inleiding

Het gaat in deze zaak om de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een beroving met geweld, afpersing en verboden wapenbezit.

Op 4 april 2020 vond te Amsterdam aan de [straatnaam] een ontmoeting plaats tussen twee groepen van drie personen namelijk verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enerzijds en aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] anderzijds. Verdachten hadden een afspraak met [aangever 1] om lachgas van hem te kopen op 4 april 2020. Er zijn verschillende lezingen van wat er precies is gebeurd tijdens die ontmoeting. Niet ter discussie staat dat verdachte en [medeverdachte 2] beide een alarmpistool hadden meegenomen en dat verdachte op enig moment met zijn alarmpistool in de lucht heeft geschoten. Aangevers hebben direct de politie gebeld om te melden dat ze waren beroofd van hun lachgastanks, jas en een mobiele telefoon. Verdachten zijn aangehouden in een busje, waarin naast de lachgastanks, de jas van [aangever 1] en de telefoon van [aangever 3] twee alarmpistolen, een taser en een wapenstok zijn aangetroffen.

4 Waardering van het bewijs
4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal met geweld dan wel de afpersing van de lachgastanks, de jas en de telefoon (feit 1) en het wapenbezit (feit 2) kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de beroving dan wel afpersing (feit 1). Nadat de lachgasflessen waren ingeladen ontstond tussen aangevers en [medeverdachte 2] een discussie over een eerdere deal. Die discussie is uit de hand gelopen. In paniek heeft verdachte een aantal keren in lucht geschoten met een alarmpistool. Vervolgens is hij in de bus gestapt met de medeverdachten om de situatie te ontvluchten. Het aantreffen van de gasflessen in de bus roept weliswaar een vermoeden van diefstal op, maar die gasflessen waren al ingeladen, voordat de discussie ontstond. Verdachte is onmiddellijk weggereden, zonder erover na te denken dat de gasflessen nog in de bus lagen. Bovendien waren deze flessen al betaald. Ook de jas van aangever [aangever 1] is volgens [medeverdachte 2] in alle hectiek meegenomen. Verdachte had nooit de intentie om een overal te plegen. Verdachte wilde zaken doen en een eerlijke deal sluiten. Hij had het wapen meegenomen uit zelfbescherming, niet om een overval te plegen. De bevindingen in het dossier passen bij de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] . Aangever [aangever 1] ondersteunt de verklaring van verdachte in die zin dat er een afspraak tussen hem en verdachte was en dat zij al eerder zaken hadden gedaan. Daarnaast bevat het dossier meerdere contra-indicaties voor een overval. De bus was op naam van verdachte gehuurd, er was afgesproken op een plek waar camera’s hingen en de afspraak was gemaakt via Snapchat, waarbij [medeverdachte 2] zijn eigen voornaam heeft gebruikt. Onder deze omstandigheden is een overval niet aannemelijk.

Ten aanzien van het wapenbezit (feit 2) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank over het alarmpistool dat verdachte bij zich had. De raadsvrouw vindt dat verdachte voor het overige moet worden vrijgesproken, omdat verdachte geen beschikkingsmacht had over het alarmpistool dat [medeverdachte 2] bij zich had. Over de taser heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat deze in het bezit was van een van de aangevers. Verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van een taser en een wapenstok en dat hij ook niet wist hoe deze wapens in de bus terecht zijn gekomen. Er zijn geen sporen of andere bewijsmiddelen die erop duiden dat verdachte ook deze wapens voorhanden heeft gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.

Medeplegen van de overval

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van een overval en heeft verklaard dat daarbij (onder meer) zijn jas en meerdere lachgastanks zijn weggenomen. Deze lachgastanks en de jas van aangever zijn aangetroffen in het busje waarin verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden. [aangever 3] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij onder bedreiging met een wapen zijn telefoon heeft afgegeven. Ook deze telefoon is aangetroffen in het door verdachte en de medeverdachten die avond gebruikte busje. Alle drie de aangevers hebben verklaard dat verdachte een zwart vuurwapen had en dat hij daarmee heeft geschoten. Verdachte heeft bekend dat hij met dit vuurwapen in de lucht heeft geschoten. Aangever [aangever 2] heeft verklaard van medeverdachte [medeverdachte 1] een stroomstoot te hebben gekregen met een taser. [aangever 1] heeft de taser gezien en [aangever 3] heeft het geluid van de taser gehoord. Daarnaast heeft de politie op de plaats delict het polskoord en het schakelaarknopje van de taser gevonden. [aangever 3] heeft ook verklaard dat [medeverdachte 2] een wapenstok vasthield. De taser en de wapenstok zijn bovendien in het door verdachte gehuurde busje aangetroffen in de tas waarin ook de vuurwapens zaten.

De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat verdachten de lachgasflessen, de jas en de telefoon met gebruik van geweld hebben afgenomen met het oogmerk om die spullen wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen of verdachte en de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT