Uitspraak Nº 13/287549-19. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/287549-19

Datum uitspraak: 28 juli 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 november 2019 in Amsterdam tegenover aangeefster [slachtoffer] heeft schuldig gemaakt aan

1. primair: poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

subsidiair: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;

2. wederrechtelijke vrijheidsberoving;

3. diefstal van een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer] ;

4. vernieling van een knuffel, toebehorende aan [slachtoffer] ;

5. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 en feit 5, nu zich in het dossier geen bewijsmateriaal bevindt dat de aangifte met betrekking tot die feiten ondersteunt.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft verdachte bekend dat hij aangeefster meermalen in haar gezicht heeft geslagen. Volgens verdachte zou dat zijn gebeurd toen zij nog boven in het restaurant stonden. Verdachte heeft ontkend dat hij verder geweld heeft toegepast jegens aangeefster toen zij zich in de kelder bevonden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij en aangeefster van de trap zijn gevallen, ten gevolge waarvan het verdere letsel van aangeefster zou kunnen zijn ontstaan.

De officier van justitie ziet geen reden om te twijfelen aan het scenario zoals dat door aangeefster is geschetst en gaat er dan ook vanuit dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan alle ten laste gelegde handelingen, nu de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in het dossier, terwijl dat niet geldt voor de verklaring van verdachte. De officier van justitie acht poging tot zware mishandeling bewezen, nu verdachte fors geweld heeft toegepast op het lichaam van aangeefster, door haar onder meer herhaaldelijk tegen haar hoofd en in de buurt van haar slaap te slaan, waarmee verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster met zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Met betrekking tot feit 3 komt in de aangifte naar voren dat aangeefster haar portemonnee kwijt was. Deze portemonnee is tijdens de aanhouding van verdachte bij hem aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de portemonnee heeft meegenomen, omdat hij dacht dat de sleutels van aangeefster in haar portemonnee zaten en hij niet wilde dat zij in dronken toestand op de scooter zou gaan rijden. Die verklaring acht de officier van justitie onaannemelijk. Zij meent dat dit een voltooide diefstal oplevert.

Ook feit 4 kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen verklaard, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en hem partieel vrij te spreken van feit 1 subsidiair. Voorts heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 2, 3 en 5.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte erkent aangeefster te hebben geslagen, maar betwist dat hij haar heeft geschopt, een kopstoot heeft gegeven, aan haar haren heeft getrokken en zijn hand over haar mond heeft gehouden. De raadsman meent dat het dossier onvoldoende bewijs biedt dat verdachte behoudens het slaan nog meer geweld heeft toegepast. Met betrekking tot de blauwe plekken op de bil en de overige lichaamsdelen van aangeefster is volgens de raadsman aannemelijk en kan niet worden uitgesloten, dat deze zijn ontstaan doordat aangeefster en verdachte van de trap zijn gevallen bij het betreden van de kelder. De letselverklaring is van geringe betekenis, aangezien de arts uitsluitend heeft getoetst aan het scenario zoals dat door aangeefster is geschetst, waarmee niet is gezegd dat de arts niet tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen als het scenario van verdachte zou worden voorgelegd. Het slaan van verdachte dient volgens de raadsman te worden gekwalificeerd als mishandeling, omdat er onvoldoende bewijs is dat het handelen van verdachte van dien aard is geweest dat dit de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, reden waarom de raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde alsmede de genoemde onderdelen van het subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, zodat verdachte ook van dat feit dient te worden vrijgesproken. Verdachte verklaart stellig dat hij de toegang tot de trap nimmer heeft geblokkeerd. Daarnaast levert een mishandeling niet zonder meer ook wederrechtelijke vrijheidsberoving op. Onderzoek naar de camerabeelden heeft niets opgeleverd ten aanzien van de vraag hoe lang verdachte en aangeefster in de kelder zijn geweest of op welke manier zij eruit kwamen, en de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] discrimineren beide niet tussen de verklaringen van verdachte en aangeefster. Ook de verklaringen van getuige [getuige 3] en aangeefster met betrekking tot wat [getuige 2] heeft gehoord, lopen uiteen. Bovendien vormt het feit dat aangeefster koffie is gaan zetten nadat zij de kelder had verlaten en de schoonmaker het pand betrad, een contra-indicatie voor de vrijheidsberoving.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Verdachte betwist dat sprake was van wederrechtelijke toe-eigening van de portemonnee althans het oogmerk daarop, nu hij de portemonnee van aangeefster slechts heeft meegenomen omdat hij dacht dat haar scootersleutels daarin zaten, om op die manier te voorkomen dat zij in beschonken toestand op haar scooter zou gaan rijden.

Ook ten aanzien van feit 5 meent de raadsman dat steunbewijs voor de verklaring van aangeefster ontbreekt, zodat ook ten aanzien van dit feit vrijspraak dient te volgen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Aangeefster en verdachte hadden sedert ongeveer september 2017 een relatie die nog bestond op 29 en 30 november 2019. Zowel aangeefster als verdachte hadden een baan in Restaurant [naam restaurant] , waar zich onder het restaurantgedeelte een opslagkelder bevindt. Een steile trap geeft toegang tot die kelder. Het personeel maakt tevens gebruik van de kelder om hun jas op te hangen en persoonlijke spullen op te bergen.

Op 29 november 2019 had aangeefster een avonddienst bij Restaurant [naam restaurant] in Amsterdam. Nadat alle klanten om 23:00 uur weg waren, is aangeefster samen met drie andere collega’s blijven naborrelen. Vanaf ongeveer 03:00 uur bleef ze achter met collega/getuige [getuige 2] . Op 30 november 2019 rond 05:00 uur hebben aangeefster en verdachte via de telefoon contact met elkaar gehad en heeft verdachte aangeefster gevraagd waar zij was. Aangeefster heeft toen gezegd dat zij nog in het restaurant was samen met collega [getuige 2] . Niet veel later is verdachte ook naar het restaurant toegegaan, en is hij bij aangeefster en [getuige 2] aan tafel gaan zitten. Toen getuige [getuige 2] weg was gegaan en alleen aangeefster en verdachte nog in het restaurant waren, is er ruzie tussen aangeefster en verdachte ontstaan. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij aangeefster op verschillende momenten tijdens de ruzie in haar gezicht heeft geslagen en dat hij haar knuffel kapot heeft gemaakt omdat hij erg boos was op haar.

In zoverre is er overeenstemming tussen de verklaringen van aangeefster en verdachte. Over wat zich daarnaast nog meer heeft afgespeeld, lopen hun verklaringen uiteen.

Scenario aangeefster

Aangeefster heeft in haar aangifte van 30 november 2019 verklaard dat in het restaurantgedeelte de ruzie ontstond. Toen zij de kelder in liep, liep verdachte achter haar aan de kelder in. Verdachte begon in de kelder tegen haar te schreeuwen toen zij hem ermee confronteerde dat zij die avond van collega [getuige 2] had gehoord dat verdachte toenadering had gezocht tot een andere collega van hen. Verdachte begon tegen haar te schreeuwen en vervolgens voelde aangeefster dat verdachte haar ineens een harde klap in haar gezicht gaf. Verdachte bleef schreeuwen en heeft haar herhaaldelijk geslagen, met zijn beide handen tegen de zijkant van haar hoofd, alsook met zijn vlakke hand en vuisten in haar gezicht. Aangeefster voelde steeds meer pijn ontstaan, omdat verdachte haar telkens op dezelfde plekken in haar gezicht raakte. Ze gilde van de pijn. Verdachte heeft haar een harde kopstoot gegeven en hield zijn handen een aantal keren met veel kracht over haar mond. Verdachte heeft haar ook vastgepakt bij haar beide oren en daar vervolgens hard aan getrokken...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT