Uitspraak Nº 13/845006-12. Rechtbank Amsterdam, 2019-04-04

Datum uitspraak: 4 april 2019
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845006-12

Datum uitspraak: 4 april 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

  • -

    31 januari 2019,

  • -

    1 februari, 7 februari, 11 februari, 12 februari en 13 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.I.M. Geertsema en H.J. Hart (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte (hierna: [verdachte] ) en zijn raadslieden mrs. D.V.A. Brouwer en O.S. Pluimer (hierna: de raadsman) naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

[verdachte] wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op 31 januari 2019 – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.feitelijk leidinggeven aan het onjuist/onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting van [naam B.V. 1] en/of [naam B.V. 2] over het jaar 2007;

2. primairfeitelijk leidinggeven aan het onjuist/onvolledig doen van aangifte overdrachtsbelasting t.n.v. [naam B.V. 5] t.a.v. de verkrijging van de onroerende zaak ‘ [naam B.V. 5] ’ te [plaats] op 14 augustus 2007;

subsidiair: (medeplegen van) het onjuist/onvolledig doen van de aangifte overdrachtsbelasting;

3.het onjuist/onvolledig doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen t.n.v. [verdachte] over het jaar 2007;

4.feitelijk leidinggeven aan (medeplegen van) het voorhanden hebben van valse taxatierapporten (gedateerd 31 maart 2005 en 26 januari 2007) met betrekking tot evenementencomplex ‘ [naam B.V. 5] ’ te [plaats] ;

5.feitelijk leidinggeven aan het witwassen van aandelen.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs
3.1

Een korte schets van de zaak

In 2000 is het evenementencomplex ‘ [naam] ’ te [plaats] opgeleverd.

De stichtingskosten bedroegen € 26 miljoen. In 2002/2003 heeft [naam B.V. 2] , een 100% dochtervennootschap van [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ), het complex gekocht. Nadien is de naam van het complex gewijzigd in [naam B.V. 5] . [naam B.V. 1] was een vennootschap van [verdachte] en [naam 1] , en na diens overlijden in 2004 de “erven [naam 1] ”, elk voor 50%.

De koopsom bedroeg circa € 5,5 miljoen exclusief kosten. [naam B.V. 5] werd vervolgens verbouwd voor ruim € 4 miljoen en verhuurd aan diverse exploitanten. Het geheel werd gefinancierd met een lening van € 11 miljoen van Deutsche Bank.

[naam B.V. 5] bestond na de verbouwing uit twee grote hallen. Een grote evenementen/muziekhal met bowling, duikcentrum en disco en een tweede hal met een kartbaan, kinderspeelparadijs en een sportschool. [naam B.V. 5] liep echter niet en sommige exploitanten kwamen in de problemen.

In maart 2005 ging de exploitant van de evenementenhal failliet en werd de exploitatie door [naam B.V. 2] voor eigen rekening voortgezet. Omdat [naam B.V. 2] de aflossingen aan Deutsche Bank niet kon voldoen, werden de aflossingen overgenomen door [naam B.V. 1] .

In 2005 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de opdracht van [naam B.V. 1] gekregen om het complex [naam B.V. 5] te taxeren. Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) is – samen met medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) – één van de taxateurs geweest die [naam B.V. 5] heeft getaxeerd. Volgens de taxatie bedroeg de onderhandse verkoopwaarde van het pand per 31 maart 2005 € 2.970.000,-.

In 2006 werd ook de exploitatie van de kartbaan en het kinderspeelparadijs overgenomen en voor eigen rekening voortgezet door [naam B.V. 3] , een 100% vennootschap van [verdachte] .

Eind 2006/begin 2007 is [naam B.V. 5] opnieuw door [medeverdachte 2] getaxeerd waarbij [medeverdachte 3] wederom als taxateur was betrokken. [medeverdachte 2] taxeerde de onderhandse verkoopwaarde in december 2006 op € 2.450.000,-.

In augustus 2007 zijn de onroerende zaken en de onderneming van [naam B.V. 5] met terugwerkende kracht per 1 januari 2007 geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] Deze beide vennootschappen hingen onder [medeverdachte 1 ] , van welke vennootschap medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) via de Zwitserse topholding Aegeri-Investment Company AG (hierna: Aegeri) de enig aandeelhouder was.

De koopprijs voor [naam B.V. 5] was per saldo € 480.000,-. Dit bedrag bestond uit € 1.870.000,- badwill en € 2.350,000,- voor onroerende zaken.

In januari 2008 zijn de twee vennootschappen van [medeverdachte 5] met daarin de onroerende zaken van [naam B.V. 5] verkocht aan een consortium van Twentse investeerders (hierna:
de Twentenaren) voor € 8 miljoen.

Start strafrechtelijk onderzoek

De Belastingdienst heeft in mei 2009 een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de afwaardering van [naam B.V. 5] in de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [naam B.V. 2] in combinatie met de verkoop van [naam B.V. 5] in 2007 aan de vennootschappen van [medeverdachte 5] . Om te beoordelen of [naam B.V. 5] in augustus 2007 tegen een reële prijs was geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] heeft de Belastingdienst in 2009 en 2010 een aantal derdenonderzoeken ingesteld. Daarbij is het vermoeden ontstaan dat [naam B.V. 5] te goedkoop is verkocht en daarbij vermoedelijk een vals taxatierapport is gebruikt.

Volgens de FIOD is de centrale verdenking dat [verdachte] [naam B.V. 5] zo goedkoop mogelijk naar zich toe wilde trekken. Toen bleek dat hij dat om fiscale redenen beter niet kon doen, is het idee ontstaan, volgens de FIOD, om [medeverdachte 5] als strovrouw voor de verkoop te gebruiken.

In augustus 2007 werden de onroerende zaken en de exploitaties van [naam B.V. 5] geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] . Het vermoeden is dat de verkoopprijs door [verdachte] zo laag mogelijk is vastgesteld waardoor de Belastingdienst en de erven [naam 1] zijn benadeeld.

[verdachte] heeft de Belastingdienst, vermoedelijk misleid door de zakelijkheid van de verkoop aan [medeverdachte 5] te onderbouwen met een vermoedelijk vals taxatierapport van [medeverdachte 2] van 31 januari 2007 dat in zijn opdracht is opgesteld.

3.2

Vrijspraak

3.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten bewezen kunnen worden en heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Feit 4 (valsheid in geschrift)

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] de erven [naam 1] wilde uitkopen en dat die uitkoop diende te gebeuren voor een zo laag mogelijk bedrag. Voor de legitimering van de fiscale afwaarderingen binnen [naam B.V. 1] en de uitkoop van de erven [naam 1] , heeft [verdachte] aan de taxateurs van [medeverdachte 2] gevraagd om [naam B.V. 5] tegen een zo laag mogelijke waarde te taxeren. De twee door [medeverdachte 2] opgemaakte taxatierapporten zijn vals, omdat [naam B.V. 5] in beide taxatierapporten niet is getaxeerd naar de werkelijke onderhandse verkoopwaarde. De taxateurs van [medeverdachte 2] hebben namelijk niet gezocht naar de maximale waarde, maar zij hebben toegewerkt naar een zo laag mogelijke waarde door geen melding te maken van herontwikkelingsmogelijkheden, door de bestemming te beperkt weer te geven en door alle (kosten)posten en variabelen zodanig te begroten dat daaruit een te lage waarde is voortgevloeid. Dit betekent dat de taxatierapporten valselijk vermelden dat is getaxeerd naar de onderhandse verkoopwaarde. De taxatierapporten zijn bij [naam B.V. 1] aangetroffen en [verdachte] had deze als feitelijk leidinggever voorhanden.

Feit 1, 2 en 3 (de fiscale feiten)

De verkoop van [naam B.V. 5] voor de te lage waarde aan [naam B.V. 5] heeft een aantal fiscale gevolgen.

Allereerst is van belang dat [medeverdachte 5] een strovrouw was voor [verdachte] en de hele Aegeri groep feitelijk aan [verdachte] kon worden toegerekend. Onder die omstandigheden heeft een vennootschap van [verdachte] , [naam B.V. 2] , [naam B.V. 5] aan een andere vennootschap van [verdachte] verkocht. In dat geval spreekt men van een gelieerde transactie. Fiscaal heeft dan te gelden dat gelieerde partijen ‘at arms length’ met elkaar moeten handelen. Dat is niet gebeurd.

Uitgaande van een zakelijke verkoopprijs van ten minste € 8 miljoen minus de betaling van (per saldo) € 880.000,- door [naam B.V. 5] bedroeg de bevoordeling door [verdachte] van [naam B.V. 5] € 7.120.000,-. Dit bedrag heeft [verdachte] onttrokken aan zijn vennootschappen [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] en overgeheveld naar [naam B.V. 5]

Deze onttrekking ten gunste van [verdachte] heeft voor de vennootschapsbelasting bij [naam B.V. 2] gevolgen; er moet immers worden afgerekend over het deel waarvoor de verkoopprijs te laag was. Ten gevolge van de te lage overdrachtsprijs is door [naam B.V. 5] ook te weinig overdrachtsbelasting...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT